donderdag 3 februari 2011

PIJPROKEN: HET VERVOLG

Toen ik aan het slot van Pijproken: de trilogie beloofde in een vervolg het pijproken in het werk na de waterscheiding Cecilia (één vindplaats) te behandelen, vermoedde ik al dat ik het moeilijk zou krijgen. Die vrees kwam uit, en ik kan mijn gelofte dan ook nauwelijks gestand doen. Bottom line: er wordt in de boeken van Geerten Meijsing maar weinig pijp gerookt. Nu is het natuurlijk geheel de vraag of je kunt eisen of zelfs maar verwachten van een pijprokend auteur dat hij in zijn werk zijn rookgewoonte een plaats geeft. Simenon deed dat, net zo excessief als hij zijn andere verslavingen (drank en vooral vrouwen) een plaats gaf in zijn romans durs en Maigrets. Maar Mulisch? Ik ben geen kenner, noch zelfs een echte lezer van zijn werk, dus u moet het maar zeggen. Ik heb wel mijn vermoedens.
De trilogie leverde overigens nog twee mooie vondsten op. Het bedaagde aspect van het pijproken wordt op Kerouac-achtige wijze ontkracht door de volgende passage:

‘Als we in onze eigen kamers waren, droegen we bontjassen en poolparka’s en hielden onze handen rond een walmende pijpekop geklemd, en terwijl ik op het hemelbed een lange droeve brief las, waarin Martha beweerde dat het beter was als we elkaar niet meer zagen, sprong Michael door de kamer over het marmer en het bed heen, rookte pijpen en sprong dan naar het antieke kabinetje toe om waanzinnige dingen neer te krassen, de blinden openwerpend om naar buiten uit de hoge koude ramen over de porfieren sneeuw dertig kilometer naar de zee te kijken, het borstbeeld van de Kardinaal wankelde op het certosina-tafeltje dat ingelegd was met ivoor: het leek zo prachtig, maar op een gegeven moment ging alles mis. Want voor de eindeloze uitleg die ik van hem eiste en de verklaringen die ik van haar ontzenuwde, had Michael geen aandacht meer.’ (Michael van Mander, pg. 108)

Een pijp blijkt ook voor oneigenlijke zaken te kunnen dienen. In de scène waarin de jonge helden, tevens aspirant cineasten, in Berlijn aan het opnemen zijn, worden er reefers gerookt.  Dat hashgebruik krijgt een idiosyncratische draai:

‘En toen ze zo even gezeten hadden, deden ze het hele stuk dat nog over was in een pijp, en omdat Frans en Erwin allebei niet zo erg goed wisten wat ze nu moesten doen, draaide Erwin haar gezicht naar zich toe en kuste haar op de mond, en legde zijn hand op haar borsten. Frans zat nog te suffen tegen de muur met de pijp in zijn hand...’ (MvM, pg. 207)

De trilogie terzijde leggend, doelbewust doorstotend naar de vólgende trilogie, de dubbeldekker Veranderlijk & wisselvallig/Altijd de vrouw en hun pendant Een meisjesleven, werd ik hier en daar beloond. Mondjesmaat met een kleine verwijzing, zoals:

‘Voedsel smaakte hem niet meer, van zijn pijpen werd hij misselijk, zelfs grote hoeveelheden drank maakten hem niet dronken meer.’
(V&W, pg. 121)

Of, bevredigender, met deze schitterende alinea:

‘Gezeten voor dat raam, het welbekende uitzicht van de straf die hij erop had zitten, luisterde hij naar de Tyrrheense, naar de Ionische Zee, maar hoorde slechts een enkele uil, de kachel en de tabak in zijn pijpekop: brandende vuurhaarden in de hoge, stille koude.’ (Altijd de vrouw, pg. 184)

Het oorspronkelijk onder het pseudoniem Eefje Wijnberg gepubliceerde Een meisjesleven geeft een soms onthullend beeld van leven en leefomstandigheden van de jonge Meijsing, die zich hier laat zien door de ogen van iemand anders, en zichzelf portretteert zoals ook wij, lezer, hem wellicht gezien zouden hebben in die tijd; geen mystificatie hier, in dit bij uitstek mystificerende boek:

‘Hij woonde op twee kleine kamertjes in het huis van zijn ouders. Zijn eigenlijke beroep was romanschrijver, beweerde hij, maar zijn grote werk stond nog in de steigers.'
 (Een meisjesleven, pg. 93)

In auto’s voelt Meijsing zich thuis, en die huiselijkheid accentueert hij met het opsteken van een pijp. In Michael van Mander lazen we hoe Frans Erwins pijpen op zijn aanwijzingen aanstak tijdens een rit, non stop, naar Italië. In deze roman neemt Eefje die taak over.
Omstandigheden: een koude, regenachtige morgen. Eefje en Erik zijn on the road (‘De Citroën was een paleis om in te rijden’), met als reisdoel, natuurlijk, Italië.                                                                                                                                       

‘ik verwisselde de bandjes van de taperecorder, stak af en toe een pijp voor hem aan en leunde achterover in de rode kussens, me verheugend op wat komen ging.’ (Een meisjesleven, pg. 210)

En hier, in deze later op waarde geschatte potboiler, lezen we ook dat een pijp wel degelijk een belangrijke manifestatie of verlengstuk van Meijsings persoon of personage vormt, ja zelfs een substituut kan zijn tijdens zijn afwezigheid. Want wat doet Eefje als ze zich eenzaam voelt?

‘Ik stopte een van zijn pijpen en stak hem aan om in een wolk van zijn geur te zitten.’ (Een meisjesleven, pg. 217)

Voor een van de zeldzame directe mededelingen over de aard en het belang van het pijproken moeten we een flink aantal jaren vooruit in de tijd. Maar dan vinden we ook tegelijk een mogelijke verklaring voor de schaarse aanwezigheid van pijpen en pijptabak in de periode van Meijsings volwassen schrijverschap. Zonder de auteur nu meteen het romantische predikaat ‘getormenteerd’ op te plakken kunnen we rustig stellen dat zijn leven niet gemakkelijk is geweest, zowel in de liefde als in de receptie van zijn werk vol lotwissel en onrust, en in toenemende mate belemmerd door ziekte en ongemak van fysieke en psychische aard. In Dood meisje, een boek waarin verder vooral veel Davidoff classic wordt gerookt, lezen we het volgende:

‘’Schenk nog maar eens in, pijpemans!’ Voor Gardenier was het opsteken van een pijp een teken dat hij zich op zijn gemak voelde; de zwarte sigaren rookte hij alleen in momenten van stress. De toon van haar opmerking, die hij als neerbuigend had kunnen opvatten, wekte in dit geval slechts de lachlust. Een escort met gevoel voor humor – die waren zeldzaam!’ (Dood meisje, pg. 40)

In toekomstige romans zal de nu zestigjarige schrijver, die iets meer gemoedsrust (of is het berusting?) lijkt te hebben gevonden in de voor de buitenwereld kleurrijke, maar in werkelijkheid ongetwijfeld moeizame omstandigheden van zijn Siciliaanse ballingschap, misschien meer aandacht besteden aan de kunst van het pijproken, die hij vlijtig en met veel genoegen beoefent. Tot dat moment zijn we met de novelle De kerstpijp ruim voorzien, als we ons bij tijd en wijlen willen vereenzelvigen met een pijprokend romanpersonage.

Jan-Paul van Spaendonck

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen