vrijdag 29 oktober 2010
Joyce & Co.
maandag 25 oktober 2010
Kuifje (1)


zaterdag 23 oktober 2010
woensdag 20 oktober 2010
Juryrapport
Beste Kester,
Op deze maandag, na een nacht vol storm en regen, je brief ontvangen. Ja, de zaak met de Boy Edgar Prijs is nu wel rond; dit weekende heb ik het juryrapport geschreven, want als 'schrijver' ben je natuurlijk altijd de klos, 'omdat je verder toch alle tijd aan jezelf hebt'. Tijd?, Kester, hebben wij de tijd aan ons? Helaas niet met het resultaat dat mij voor ogen stond, maar ik heb mijn best gedaan. I., die de laatste jury-vergadering bijwoonde (ik kon geen oppas regelen), fungeerde als 'zesde jurylid' en riep meteen verbaasd, toen we het resultaat bekend maakten: 'Dat is dus niet gelukt, papa.' (Kester Freriks & Geerten Meijsing, De palmen van Amsterdam, p. 206)


(Met dank aan Taco de Kort en Gerben Wynia)
zondag 17 oktober 2010
Toen en nu (afl. 1): Grand Hotel Fünckler

De ansichtkaart is duidelijk in haar boodschap: "First Class House, Electric Light, Baths, Patronised by the Royal family of Germany, Holland, Italy, Persia etc. Private Motor-Cars and Motor-Boats."
Wie nu Haarlem bezoekt zal op de Kruisstraat hetzelfde gebouw nog kunnen aantreffen, maar het is geen hotel meer, zoals Google Streetview aantoont:

Nog wel steeds "Patronised by the Royal family of Holland", zullen we maar zeggen...
Overigens, twee panden verder, pal naast de gele markies helemaal rechts op de afbeelding, is gevestigd de Eerste Haarlemsche Lamsslagerij Broekhof, Meesterslager & traiteur. Of dat nu weer familie is...
vrijdag 15 oktober 2010
Stamboom

Dit zijn de gegevens zoals ze te vinden zijn op de website van de stamboom van de familie Vrouwenvelder(http://www.vrouwenvelder.org/Stamboom/10aaaagahf5.htm). Naast de foto hierboven zijn er nog meer foto’s op te vinden van directe familieleden van Geerten Meijsing, onder andere van zijn vader en van zijn zus Doeschka. Sowieso wordt aan die twee personen veel aandacht besteed, met teksten over vader Meijsings afscheid als gemeentesecretaris van Haarlem en uitgebreide informatie over Doeschka Meijsing, inclusief een interview met Arjan Peters en een artikel over De weg naar Caviano. Weliswaar wordt van het echtpaar Meijsing-Vrouwenvelder gezegd dat zij de grootouders zijn van “de bekende auteurs Doeschka en Geerten Meijsing”, maar daarna gaat het alleen nog maar over de Beroemde Zuster.

Jack van der Weide
dinsdag 12 oktober 2010
Thom op bezoek
Thomas Graftdijk (1949-1992) was dichter, schrijver en bovenal vertaler, onder meer van Canetti, Hesse en Rilke. Na zijn ontijdige dood verschenen er nog nagelaten vertalingen van zijn hand van Freud, Nietzsche, Mann en Kafka. Hij was collega, mede-expat en intieme vriend van Meijsing. Te oordelen naar de leeftijd van Iris op deze foto moet die niet lang voor zijn dood genomen zijn.
Overigens vertoont deze afbeelding van Geertens dochter een opvallende gelijkenis met de omslag van Malocchio... Zelfde sessie?
zaterdag 9 oktober 2010
UNA BELLA SQUADRA

Nu ja, om precies te zijn: van de Siciliaanse ónderafdeling van die club. En dat maakt nogal een verschil uit: op dit ten goede en ten kwade achtergebleven eiland zul je geen zondagse parade van glimmend gelakte en zorgvuldig uitgedeukte Snoeken zien passeren. De enige rijdende Citroën van de club is de CX van vice-voorzitter Meijsing. De rest staat roestig op stal.
Geheel links Iris, Geerten Meijsings dochter.
donderdag 7 oktober 2010
POE
7 oktober, de sterfdag van Edgar Allan Poe. Er was een tijd dat Geerten Meijsing niet alleen de hierboven geciteerde, maar álle openingszinnen van Poe’s fantastische vertellingen uit zijn hoofd kende (lees op dit blog: ‘Een roman zonder ideeën snijdt geen hout’).
De echo van Poe galmt soms duidelijk en dwingend, soms spookachtig zwak door Erwin. Vergelijk bijvoorbeeld de passage van pagina 57 tot en met 61 met de ouverture tot The fall of the house of Usher: aan het einde van dit fragment bekent Meijsing, voor wie het nog niet begrepen had, openlijk schatplichtigheid aan zijn bewonderde bron.
Meijsing was 22 toen hij Erwin schreef, Poe werd 40 jaar. Hoe denkt de zestigjarige auteur over zijn voorbeeld?

Sterfdag Edgar Allan Poe, te Baltimore in 1849, op de leeftijd van 40 jaar. Depressie, alcoholisme, epilepsie, vliegende tering. Volgens de laatste theorieën is hij gestorven aan een hersentumor. Er is geen schrijver na hem die niet door hem beïnvloed is, al is zijn faam in Amerika een stuk minder dan in het oude Europa. Vroeger kende ik de beginzinnen van de beroemde verhalen van Poe uit mijn hoofd, net als zijn beroemde gedicht The Raven; we droegen die voor op elkaars verjaardagen, als een tantrum, een gebed dat geluk zou brengen. Petrus Hoosemans (de voortreffelijke vertaler van Les fleurs du mal van Baudelaire, die Poe voor Frankrijk ontdekt heeft en vertaald), heeft een schitterende parodie op het schema van The Raven gemaakt, maar dan over Gerard Reve. Helaas heb ik die hier niet bij de hand.
(Uit: Literair 2011, een reis door mijn boekenkast, Interstat, 2010)
dinsdag 5 oktober 2010
Erwindag
Het vliegtuig had de Schrijver tijdelijk thuisgebracht,
maar zijn CX stond veilig in een verre loods.
Ik heb hem er naartoe gereden, en daarna
op ’t pennenlikken van de ambtenaar gewacht.
Uiteindelijk in zijn huis boven de trambaan-laan
dronken we iets, en heb ik hem gelukgewenst.
Hij was het voor het eerst in al die tijd vergeten:
‘Ach! Erwindag!’ Hij keek me stomverwonderd aan.
Al die jaren sedert ‘72
had hij die dag gepast in weemoed doorgebracht:
een weemoed die door drank en dochter werd verzacht.
Het weer was bijna goed: misschien al iets te koud.
Hoe vierden we dit mythisch en vermanend uur?
Hij lachte plots: hij had nog wat in de frituur.
Pasquale van Bemel

NOVA DECADENTIA
Erwin, 5 oktober 1972 is een schoolvoorbeeld van wat in de literatuurwetenschap een Bildungsroman heet. De lezer volgt het leerproces en de karaktervorming van de hoofdpersoon op de voet (zij het in dit geval niet chronologisch, maar met numeriek bepaalde hink-stapsprongen), wordt deelgenoot van zijn opvoeding, van zijn éducation sentimentale, van zijn allengs zwaarder wordende intellectuele bagage, kortom van zijn rijping, zijn menswording.
Het genre was vooral populair in de Duitse romantiek, toen in het kielzog van Goethes Wilhelm Meisters Lehrjahre een groot aantal boeken verscheen dat zich meer met de psychologische ontwikkeling van de protagonist dan met een avontuurlijke fabel bezighield.
In het geval van Joyce & Co.’s Erwin is er echter sprake van een tweevoudige Bildung. Die van Erwin David Garden (de naam is onder meer een verwijzing naar Erwin, oder vier Gespräche über das Schöne und die Kunst van Karl Wilhelm Ferninand Solger) en die van de lezer. Immers, in het jaar van verschijnen, 1974, zuchtte de vaderlandse letterkunde onder het juk van het vadercomplex en de religieuze jeugdtrauma’s, de dwang van de seksuele bewustwording en andere navelstaarderij; de kleine cirkel van het eigen ik was het focus van de naoorlogse literatuur. Van de traditie wist niemand meer iets.
Toen kwam Erwin en maakte korte metten met de kleinburgerlijke bekentenisliteratuur.
‘De echte roman, die onbeschaamd de mode van de armoede, aangehangen door rijke mensen loochende, was er nog niet. Daarmee is nu, met het verschijnen van Erwin, een einde gekomen’, schreef Gerrit Komrij in Vrij Nederland.
Het gevoel heerste dat we hier iets geheel nieuws onder ogen kregen, een ‘nova decadentia’: Joyce & Co. fluisterden het ons zelf in. Degenen van ons die daar gevoelig voor waren lazen het boek en zijn opvolger Michael van Mander stuk, snoven de rijke geur van eruditie gulzig op, verlustigden zich aan de weelde die altijd al voorhanden was geweest en door Meijsing beschikbaar werd gemaakt: een vergeten erfgoed. Want naarmate wij lezers van het eerste uur ouder werden ontdekten we steeds meer onder het flitslicht van de Aha-Erlebnis; we vonden de oorspronkelijke bronnen terug waaraan Meijsing en de zijnen zich hadden gelaafd, en waarvan wij door hun gulle tussenkomst hadden mogen meeproeven. Veel van wat we aan Meijsing hadden toegeschreven bleek zijn oorsprong elders te hebben, in het werk van Poe, Rolfe, Kerouac, Flaubert, Huysmans of Petronius, om maar een teug te nemen uit dit ontzaglijke mer à boire. Meijsing werd onze gids, onze leermeester, de solitaire beheerder van het literair erfgoed. In die hoedanigheid opende hij talloze voorheen gesloten deuren, ramen en toverpoortjes, die elk uitzicht gaven op een precies gedetailleerd vista, een weids panorama waarin je je kon verliezen: achter elke deur opende zich weer een andere, ad infinitum. Een tot lezen en weten prikkelend Droste cacaobusje. Zijn canon schrijvers probeerden we ons eigen te maken, hoewel een paar auteurs uit Erwins boekenkast verzonnen bleken: men moet tenslotte de lezer scherp houden, en hem de illusie ontnemen dat fictie en werkelijkheid zonder meer met elkaar overeenstemmen!
Meijsing de arbiter elegantiae, het rolmodel, de cultuurhistorische gids, beïnvloedde ons leven in opeenvolgende fases van identificatie. De eerste betrof de buitenkant.
Het dandyisme dat hij uitdroeg was verschrikkelijk aantrekkelijk in een tijd die door corduroy en spijkergoed werd getekend en rook naar halfzware shag . Het morsige en schetsmatige imago van de jaren ’70 verruilden we graag voor een historisch bewust elitarisme.
Ik laat nu even de jongensachtige folie buiten beschouwing waardoor we ons op een tuinfeest in de lente van ’75 hulden in van lakens gemaakte toga’s of chitoons: dat was het allereerste begin. En dan! Een van ons, nu een respectabel psychiater, stormde ademloos mijn jongenskamer binnen: hij had Joyce & Co. gezien, in het echt, in een café, en ze spraken Latijn! Onnodig te zeggen dat wij voortaan ook brieven in het Latijn aan elkaar schreven: ik heb ze nog. Vertederend knullig.
Niet veel later schoren we onze baarden tot scherpe sikjes, verruilden we de Zware Van Nelle voor elegante sigaartjes, en trachtten ons met driedelig grijs uit opa’s kast of vaders rokkostuum een herenuitstraling te geven, want geld voor maatkostuums hadden we evenmin als kennis van de wetten van die wereld: een pak was een pak, het ging om het idee.

(1975: De twee moderatoren van dit blog duiken de 19e eeuw in. Eén der twee werpt een hongerige blik op een nichtje van Eline Vere)
Zelfrelativering was een discipline die pas door de oudere Meijsing zou worden beoefend. Vooral Tussen mes en keel breekt het imago van de ver boven het gewone volk staande homo universalis grondig af. In de vorming van de Erwin-mythe, bevochten op een vijandige periode, was daarvoor nog geen plaats.
Wij waren er eerder mee. Maar we hadden dan ook niets te bevechten. Ik citeer hier de volgende pastiche, zeg maar gerust pasticcio:
‘Brieffragment (Robert), 27-04-1980
“...Omdat dit echt een kort briefje wordt, nu vlug een hoofdstukje natte his. Bijgesloten tref je wat zaadjes aan (geconcentreerd droomelixer, zal ik maar zeggen). Je politiek is als volgt:
1. Je zet de zaadjes te kiemen, bijvoorbeeld in een plat bord. Na een dag of vier verschijnen de eerste staartjes. Die het snelst zijn, zijn vermoedelijk de sterkste, die haal je eruit.
2. Die pot je. Na zo’n 2 weken (in een kast, bijvoorbeeld), als ze zo ongeveer 4 à 5 centimeter zijn, plant je ze in de tuin.
3. In de tuin moet je 60 tot 70 cm. tussenruimte bewaren, ze willen nogal exaltatisch groeien. Veel zon, in september kan het oogsten beginnen. Hoe dat moet weet ik, schaamrood op kaken, ook niet. Ik zal dat t.z.t. eens navragen.
Verder ook de foto’s, die ik je schenk. Ze zijn goed geworden. Tot vrijdag, dan maar.

(1980. De twee moderatoren van dit blog spelen een bekende Joyce & Co-foto na. Het schaakspel is vervangen door een backgammonbord. De cognac door Luxemburgse wijn.)
PS: In het tuinhuisje staan, naast een gietijzeren bankje en een koelkast met witte wijn, een telefoon en een telex. Omringd door lege glazen en boeken van Barrès en Huysmans zit de Jungdekadenter Jan-Paul van S. met neigend hoofd. Dan ratelt de telex. ‘Joyce & Co.’, zo leest van S. op het afgescheurde strookje, ‘staan het gebruik van Hasjiesh toe, alsmede het luisteren naar popmuziek.’ De Jungdekadenter verbleekt, graait naar de telefoon en belt zijn kunstbroeder, Robert-Karl E. op. ‘Kom,’ hijgt hij, ‘groot nieuws!’
Nadat hij de hoorn op de haak heeft gesmeten, schopt hij zijn herenschoenen uit, trekt gympjes aan. De plaat van Skrjábin wordt afgezet, Cuby opgezet.
Ondertussen verschijnt E. Samen beginnen ze hennepzaad te planten, als de telex weer begint te lopen. E. heeft het stukje het eerst te pakken. Zijn ogen staan afwezig als hij voorleest: ‘In kringen van Joyce & Co. is vernomen, dat naaktlopen decadent is, mits men een pruimentaart op het hoofd balanceert.’
Terwijl E. zich begint te ontkleden stormt van S. vertwijfeld de keuken binnen. ‘Pruimen, waar vind ik in dit jaargetijde in Godsnaam pruimen?’ E. tracht te hulp te schieten: ‘Zou appeltaart ook goed zijn?’ Van S. antwoordt niet; hij tracht tegelijk een kookboek te lezen en zijn broek los te knopen. Hij ziet er moe uit.”’
Uit: Faun XV, oktober/november 1987
Jan-Paul van Spaendonck
zaterdag 2 oktober 2010
A chance meeting

(Taco de Kort)