maandag 25 oktober 2010

Kuifje (1)

Mijn eerste kennismaking met het werk van Geerten Meijsing liep via Kuifje. Eind 1980 las ik in een artikeltje in het tijdschrift Stripschrift hoe in de roman Erwin van de mij onbekende Joyce & Co een personage voorkwam, Dr. Müller, dat rechtstreeks was weggelopen uit het Kuifje-album De zwarte rotsen. Om te zien hoe dit mogelijk was leende ik Erwin van de bibliotheek, las het in een paar dagen uit en was verkocht. En hoewel het aandeel van de Brusselse reporter in Meijsings werk altijd relatief marginaal is gebleven, zijn verwijzingen naar zijn avonturen een constante sinds de allereerste, pre-Erwinistische verhalen. In 1992 heb ik al een keer een poging tot inventarisatie gedaan, voor het werk van Joyce & Co. Een nieuwe inventarisatie, voor het werk sinds 1986, zou op zijn plaats zijn. Tot die tijd zullen we het met wat flarden moeten doen.

Ook in Meijsings meest recente publicatie, de kalender Literair 2011 – een reis door mijn boekenkast, zijn Kuifje en zijn schepper Hergé weer terug te vinden. Al meteen op 1 januari vinden we in de lijst met ‘Goede voornemens voor het nieuwe jaar’ als elfde voornemen: “Ik zou graag rum willen drinken die op de bodem van de zee is gevonden in gezelschap van kapitein Haddock”. Dit is een verwijzing naar het album De schat van Scharlaken Rackham, waar Kuifje, Haddock en de rest in een scheepswrak op een lading rum stuiten. Met name Haddock is hierover opgetogen: “Rhum van Jamaïca! … Tweehonderd vijftig jaar oud! … U zult me daar nieuws van vertellen!”

Een andere verwijzing naar De schat van Scharlaken Rackham is al te vinden in Venetiaanse brieven, in de brief van 11 januari 1977 waarin het Vittoriale van D’Annunzio wordt beschreven: “‘Ik heb ze natuurlijk uiteengenomen,’ zegt professor Zonnebloem vergoelijkend tegen de kapitein over een bescheiden eenpersoons duikbootje – D’Annunzio heeft de moeite genomen een half slagschip weer in elkaar te zetten, op de bergwand.” En met die passage in het achterhoofd zou het zo maar kunnen (late Van Basten) dat aan het begin van De grote snelle schepen: enkele reis precies dezelfde scène door het hoofd van de schrijver heeft gespeeld: “De wagen, overigens in opmerkelijk goede conditie […] is door de douane van Genua geheel uiteen genomen” (p. 8). Of lees ik daar te veel in?

(wordt vervolgd)

Jack van der Weide

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen