dinsdag 10 augustus 2010

EEN ROMAN ZONDER IDEEËN SNIJDT GEEN HOUT

(Een interview met Geerten Maria Meijsing, 1986)

Met de verschijning van de roman Cecilia is het levenswerk van de schrijversfirma Joyce & Co volbracht. Voorafgegaan door de delen Erwin, 5 oktober 1972, en Michael van Mander, vormt Cecilia een trilogie over de vriendschap, de liefde en de kunst die volstrekt uniek is in de Nederlandse literatuur.
Het schrijverscollectief, hemelhoog geprezen en bitter verguisd, bejubeld en behoond, dat bestond uit Geerten Maria Meijsing en Keith Kanger Snell, is na het verschijnen van dit laatste deel opgeheven: het functioneerde niet meer. Terwijl Keith Snell onder de naam Kees wordt gesignaleerd in schaak/bridge-café Twee Klaveren, waar hij om kleine bedragen zit te schaken, te bridgen en te bonken, woont zijn ex-compaan al jaren in Lucca, waar hij, thans onder zijn eigen naam, verder gaat met een in ieder geval controversiële, en dus interessante schrijverscarriëre.
Wij meenden dat een interview in dit [romantisch-decadente] themanummer wel op zijn plaats zou zijn. Keith Snell had er geen zin in, Geerten Meijsing wel.

Joyce & Co bestond als duo, iets dat we wel kennen in de triviale literatuur, maar niet bepaald in de “serieuze”. Hoe functioneerde het duo in de praktijk?
Jarenlang hielden wij, Keith Kanger Snell en ik, één à tweewekelijks een lange dagzitting (ik herinner me nog dat zulks plaatsvond op de jongenskamer van Keith, en dat zijn moeder binnenkwam om ons thee te brengen en altijd, even steevast als het theetijdstip, opmerkte: “Het lijkt hier wel een opiumkit.”) die wij “werkklasje” noemden en zo vaak we konden, wanneer we ergens een huis konden lenen (enkele jaren lang “woonde” ik in huizen en villa’s waarop ik moest passen: plantjes water geven, klokken opwinden, boeven buitenhouden) “verlengde werkklasjes”. Op het gelukzalige tijdstip dat de andere mensen al naar hun college, school of werk waren getogen, kwamen wij bij elkaar en bespraken, in de meest genoeglijke omstandigheden, een achttal onderwerpen: 1. retorica; 2. mythologie; 3. literaire onderwerpen; 4. numerieken; 5. iconologie en emblematiek; 6. het schrijven (contemplatief); 7. het schrijven II (compositorisch); 8. diversen, waarvan we dubbele notitie maakten in een werkschriftje volgens een van het Vaticaan geleend systeem, de acta relata en de ad acta. We stelden gedragsregels op voor het onderzoek, bijvoorbeeld over controleren van verwijzingen, niet uit de tweede hand citeren, etc., die nog steeds hun waarde behouden. Academisch als deze werkwijze mag klinken, voor ons was zij buitengewoon spannend en genoeglijk. Zodra we het ons konden veroorloven, vestigden we ons in Italië en hadden dus in het vervolg één aangehouden werkklasje, waarin het boekenbezit en de kaartenbakken eindelijk bijeen gevoegd konden worden, ieder zijn eigen bureau en typmachine, zijn eigen leunstoel (want het meeste werk werd, net als in Le culte du moi van Barrès, in de leunstoel gedaan). We hadden de ongelofelijke luxe verstandelijk volledig op elkaar aan te sluiten; in feite beschouwde ik Keith als een geniaal verlengstuk van mijn eigen verstand: hij was het ideale klankbord. In al die jaren hebben we over intellectuele zaken nooit onenigheid gehad; onze meningen stonden niet tegenover elkaar in vruchteloos dispuut, maar lieten zich stapelen en opmetselen als bakstenen in een hecht en mooi metselverband. Ik werd waanzinnig gestimuleerd door mijn partner. In nachtenlange, toonloze monologen ontwikkelde ik mijn schema’s en theorieën; hij luisterde, en wist de volgende dag de saillante punten terug te vinden die ik dan weer vergeten was. En, natuurlijk, steunden we elkaar op de zeer eenzame weg die we gekozen hadden. En dat bleek steeds meer nodig. “Wie ben jij dat je denkt de weelde van dit meesterwerk alleen in een vacuum te kunnen dragen?” vroeg Keith mij eens na de verschijning van Erwin. Met de teleurstelling van de jaren werd er meer tijd besteed aan hopeloze analyses van de lauwe receptie van ons werk. Iedereen die alleen werkt weet hoe moeilijk het is om een bepaalde werkdiscipline op te bouwen. Wij waren streng voor elkaar, en legden elkaar die discipline op, in een soort factory van gebundelde geestkracht. Samen vormden we een schrijverschap. Het was een heel goede tijd, en na het wegvallen van mijn compagnon voelde ik mij geestelijk verarmd, en voel ik de grote last van de werken alleen des te zwaarder op mijn schouders drukken, zonder het genoegen van de wederzijdse waardering die dat werk zo spannend en de moeite waard maakte.

U hebt uzelf geafficheerd als Romantisch-decadent Classicisme. Wat is dat?
Het beste van de twee tegengestelde stromingen bijeen en behouden in een unieke en zeer spanningsvolle want paradoxale wisselwerking.

U heeft de romantische maskerade vrij snel opgegeven. Had u er genoeg van?
Ik heb nooit een maskerade opgevoerd en heb ook nooit een masker dat ik niet had laten vallen. Mijn eigen persoonlijkheid is hoogstens een promotiemasker voor de werkelijke persoonlijkheid die in de boeken ligt besloten.

De drie delen van de trilogie graven diep in de theorie van telkens een andere kunstvorm. Vaak bekruipt ons bij lezing van uw werk het gevoel dat u eigenlijk liever essayist zou zijn. Of vindt u deze vorm, die van de ideeënroman toch de ideale?
Wat is nou een essayist? Wel zou ik me graag op wetenschappelijk niveau met de klassieke filologie bezighouden, vooral inzake retorica en numerieken. Ik doe dat nu ook, maar heb nauwelijks de middelen om daaraan veel tijd te besteden en de uitgave van zulke projecten zal in Nederland ook niet haalbaar zijn. Maar al jaren ben ik bezig aan een groot boek On the Meaning and the Making of a Number Composition, waarin van alles overhoop gehaald wordt.
Anderzijds heb ik inderdaad grote voorliefde voor het genre van de ideeënroman. Een roman zonder ideeën snijdt geen hout, Ik noemde Barrès al; ik zou als voorbeelden ook Ludwig Tieck, Franz Sternbalds Wanderungen kunnen noemen, waarin discussies over de schilderkunst, of Thomas Mann, Doctor Faustus, idem over muziek.

U hebt Nederland verruild voor Italië. Hoe bent u daartoe gekomen?
In de eerste plaats uit financiële overwegingen. Een weldoener bood een huis aan in Firenze. Daar is niets van gekomen. Toen hebben we dit huis gevonden en hebben we ons daarin vastgebeten. Zeven jaar kater blijkt alles hier vele malen duurder te zijn dan in Holland.
Maar deze voorstelling van zaken is niet helemaal eerlijk; al sinds mijn vijfde jaar ging ik elk jaar een maand naar Italië. Mijn ontsnappingen van de middelbare school gingen naar Italië. In Holland hield ik me schuil; zodra ik wat geld had, reisde ik weer naar Italië, door Calabrië, verbleef jarenlang ‘s winters in Bellagio en heb uiteindelijk besloten dat het beter was om helemaal niet terug te gaan.
Die definitieve sprong had ook nog een andere aanleiding: de vrouw op wie ik al jarenlang verliefd was en met wie ik een verhouding had, ging trouwen. Ik maakte mij uit de voeten. Een negental maanden later voegde ze zich bij me in mijn ballingsoord. Vanuit dat oogpunt was die hele expeditie (die enorm veel voeten in aarde heeft met documenten en formulieren) geslaagd.
In Italië kroop ik in een nieuwe huid. Ik voelde mijn persoonlijkheid veranderen. En ik voelde mij bevrijd van de bekrompen atmosfeer in het literaire wereldje waarin elke kritiek en boekenbijlage voor mij een belediging was. Als ik al alleen stond, dan liever als balling ver weg.

Italië is in. Hoe voelt het aan om op het gebied van de Italíë-hausse tot de avant-garde te hebben gehoord?
Het schijnt zo te zijn. Geen mening. (Misschien toch dit: het is voor de kunstenaar altijd imperatief geweest om zijn opleiding in Italië te besluiten; dat is dus niets nieuws.) (Pas van een afstand kan ik met zekere nostalgie, de schoonheid van Holland zien, door Italiaanse bril als het ware. Mijn beschrijvingen van Italië zijn vaak gemaakt als ik er niet was en verteerd door heimwee enkele maanden in Holland moest zijn.)

Het ligt in de bedoeling om een [volgend nummer van] Faun over Edgar Allen Poe te maken. We weten dat u hem zeer bewondert. Waarom?
Zie de dialoog in Erwin. Een bestudering van de eerste zinnen van de verhalen levert al genoeg stof tot bewondering en lering. Vroeger kende ik ze allemaal uit mijn hoofd. Nu herinner ik me met name de eerste zinnen van The Oval Portrait en van Usher. Het zijn niet zozeer de onderwerpen van Poe die me interesseren, al wel zijn sublieme en superieure techniek en de technische opvattingen van zijn handwerk. Zijn leven was trouwens ook een hoogromantisch kunstwerkje.

Wat zijn de toekomstplannen?
Heb net het eerste deel van een dubbeldekker voltooid: Varium et mutabile semper. Eerste deel heet Varium et mutabile en het tweede Semper. Het eerste deel is ook een anatomie van de melancholie. De Don Giovanni-Tristan-tegenstelling wordt in deze twee boeken verder uitgewerkt.

Interview verschenen in Faun nr. 9, Oktober 1986

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen