zondag 9 oktober 2011

Brief aan Jan-Paul (fragment)

Bij het digitaliseren van mijn oude correspondentie kwam ik het volgende fragment tegen dat ik de moeite van het publiceren op dit blog waard vond omdat het de intensiteit laat zien waarmee ik in een bepaalde periode van mijn leven meedacht, meeleed, meeleefde met mijn literaire held. Ik begon eisen aan hem te stellen!

17 maart 1993

Beste Jan-Paul,

[...] Ik denk dat je me te kort doet als je zegt dat ik sneerde. Ik sneerde niet. Integendeel: als ik Meijsing en Freriks verliezers noem, voorzie ik ze van een label dat juist tracht mijn sympathie en betrokkenheid onder woorden te brengen. Ik heb hier over nagedacht, luister: je  weet dat vrijwel al mijn “helden” verliezers zijn, in de een of andere zin van het woord: de schrijver Alfred Jarry, de rockband Gentle Giant, de componist Alexander Skrjabin, om er een paar te noemen. Toegegeven, ze hebben bij tijd en wijle succes gehad, soms werden ze (voor eventjes) ontdekt en erkend, alvorens ten onder te gaan, maar nooit zul je dergelijke mensen winnaars kunnen noemen. Door het ‘ach gut ja, Skrjabin, hm, ja’ van anderen heb ik me altijd gesterkt gevoeld in mijn eclecticisme. Als ik Geerten Meijsing een verliezer noem, is dat dan ook grotendeels een term of endearment. Het betekent dat hij voor mij Eksteense proporties heeft, dat ik mezelf in hem herken. Juist ook het ambachtelijke aan hem, dat gewroet en gepruts, dat gezanik en geplan, dat gemisluk en dat zelfgehaat is iets dat ik maar al te goed herken. Als ik boos word over de minder wordende kwaliteit van wat hij publiceert, is dat niet anders dan de uiting van een zekere teleurstelling in iemand die, zoals je terecht zei, een jeugdheld was. Daar gaat het juist om: ik voel me persoonlijk te kort gedaan!
Liever dan onverplichtend, onsympathiek maakwerk afleverend, ware mij Geerten Meijsing, de stuurse, onhandige, in de grachtengordel poserende “jongen” volgens zijn eigen ideaal: de teruggetrokken getormenteerde schrijver van onbegrepen meesterwerken: Geerten Maria Meijsing, alias Joyce & Co, alias Keith Kanger Snell, alias Erwin Garden, de eeuwige JONGEN. Hij zou van mij aan het tiende deel van Erwin bezig mogen zijn, net zoals wat mij betreft Gentle Giant nu aan hun 25e LP vol met madrigale hard-rock mogen werken. Nog steeds onbegrepen en amper erkend.
Ik wil niet, juist niet, dat Meijsing een Nederlandse literator is, een Adri, Kellendonk, Joost Z., Mensje van K. Daar is hij te bijzonder voor. Dat hij niettemin precies dàt ambieert, dat vind ik nu juist naar. En dat hij, als hij naar mijn verwachtingen zou werken, thans helemaal niet meer zou werken, integendeel als commies tweede klasse zijn karige brood zou verdienen, laat ik dat benadrukken, doet er geen moer toe. Hij bestaat in dit specifieke geval niet voor hemzelf, hij bestaat alleen maar voor mij.
Ik heb het vaker gedacht, en na lezing van je brief dacht ik het weer: misschien ben ik wel een veel grotere melancholicus dan jij. Jij hebt in de loop der jaren een rustige modus vivendi gevonden, je melancholie lijkt soms wel een hobby voor je. Niks op tegen, hoor, en vat het niet op als een aanval of een depreciatie, zo bedoel ik het helemaal niet (leven en laten leven, niet waar?), maar ik ervaar het ouder worden als een voortdurende verarming, een losing battle. Mijn schijnbaar stoïcisme (komt dat heus zo over??) is meer bedoeld, denk ik, om mezelf te wapenen tegen een dagelijks toenemend onbehagen dan om iets uit te stralen of te propageren. Als ik die zekere hardheid niet zou hebben ontwikkeld, zou ik nu in een voortdurende staat van paniek verkeren. Ik vind het langzaam verder afbrokkelen van onze jeugd ondraaglijk, en in plaats van me te weer te stellen tegen het afbrokkelen, heb ik besloten me te weer te stellen tegen het ondraaglijk vinden. Dat is makkelijker en goedkoper, en het voorkomt dat ik een al te grote zonderling word. Bij gebrek aan echte levensvervulling (vrouw, beroep, vrijheidsstrijd, kinderen, Jezus) moet dit maar voldoen.

Roberto

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen