
Uit een werkbrief van 25 mei 1981 blijkt dat het Queneau-project een
poging van Meijsing is om Snel als zelfstandig publicist op weg te helpen:
“Voor jou goed nieuws: morgen ga ik naar Jeroen Koolbergen en sluit op jouw
naam een contract af tegen het geldige honorarium van 7,9 per woord met de
mogelijkheid tot een voorschot (waarover ik moet onderhandelen) voor Queneau, On est toujours trop bon avec les femmes,
150 bladzijden, moet wel ongeveer in september worden opgeleverd. Prima start
voor jou, ik wil eventueel meehelpen met corrigeren.” Een week later bericht
Meijsing dat het contract rond is: “Voor jou […] het Queneau-contract
rondgemaakt: je moet er in sneltreinvaart doorheen kunnen gaan. Ik wil je er
wel mee helpen, in ieder geval zal ik corrigeren. Ik hoop dat ik je hiermee een
dienst heb bewezen en je een soort start heb gegeven voor de nieuwe formule.” Jeroen
Koolbergen – tegenwoordig vooral bekend als filmproducent van bij voorbeeld Tirza (2010) – bevestigde desgevraagd de
hierboven geschetste rolverdeling tussen de compagnons: “Ik meen me vaag te
herinneren dat Kees de vertaling heeft gemaakt en Geerten hem heeft nagekeken.”
Tekenend voor de ‘scheiding’ tussen Meijsing en Snel is ook dat de Queneau-vertaling bij uitgever
Peter van der Velden verschijnt, en niet bij de Arbeiderspers, de vast
uitgeverij van Joyce & Co. sinds 1975. De wiskundige Queneau was bovendien
een schrijver die de wiskundige Snel wel aansprak, maar van wiens werk Meijsing
weinig moest hebben.
Pikant detail is dat We zijn
altijd te aardig voor vrouwen, de enige boekpublicatie van Joyce & Co.
waaraan Meijsing geen deel had, een grote schatplichtigheid aan James Joyce
kent. De oorsprong van de naam van het collectief wordt door Meijsing min of
meer als jeugdzonde beschouwd, maar in het geval van de Queneau-vertaling kwam
die naam een keer mooi uit. De flaptekst refereert dan ook aan Joyce door te
zeggen dat het om een roman gaat “met een aantal dubbele bodems en allusies (Finnegans Wake! is het wachtwoord)” en
vermeldt vervolgens “De vertaling is van JOYCE & CO.”. De roman verwijst
inderdaad duidelijk naar het werk van Joyce, in de setting (het postkantoor op
de hoek van Sackville Street en Eden Quay in Dublin), de personages die soms
rechtstreeks uit Ulysses komen (John
Mac Cormack, Mat Dillon, Corny Kelleher) en zelfs letterlijk: als een van de
personages laat vallen “Het is te merken dat je in het land van James Joyce
bent” staat hierbij een noot van de auteur “Er is hier sprake van een licht
anachronisme, maar Caffrey, een analfabeet, kon in 1916 niet weten dat Ulysses nog niet verschenen was”.
In de enige recensie die ik van de vertaling ken, door Manet van
Montfrans (sic!) in NRC Handelsblad
van 16 september 1983, wordt eveneens uitgebreid aandacht besteed aan het
verband met het werk van Joyce: “Vol dubbel bodems en verwijzingen naar Ulysses en Finnegans Wake lijkt On est toujours trop bon avec les femmes op de eerste plaats een speelse hommage
aan Joyce”. Over de vertaling
is Van Montfrans echter niet te spreken: “De Nederlandse versie van On
est toujours trop bon avec les femmes wemelt van de fouten en slordigheden, terwijl de oogst aan leuke vondsten
en goede oplossingen nogal mager is […]. Het is mij een raadsel hoe Joyce &
Co., dat zich zo op zijn zorgvuldigheid en eruditie laat voorstaan, dergelijk
kladwerk heeft kunnen afleveren”. De conclusie dat Snel kennelijk niet
zonder Meijsing kon lijkt op grond van deze ene recensie wat voorbarig, maar
feit is dat het bij dit soloproject is gebleven. Toen de vertaling verscheen
behoorde het collectief Joyce & Co. al tot het verleden.
Jack van der Weide