Posts tonen met het label Kuifje. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kuifje. Alle posts tonen

woensdag 7 december 2011

WANDELSTOKKEN


Deze foto kregen we toegestuurd door Geerten Meijsing naar aanleiding van het stuk over Kuifje. Hij is genomen in Siracusa. De bijbehorende mail luidde:

‘Een en ander belet niet dat ik zelf nog een prachtige partij wandelstokken op de kop heb weten te tikken.’

woensdag 30 november 2011

Kuifje (6)

In De ongeschreven leer belandt Zelda tijdens haar queeste in het oude schoolhuis van Ringgenbach, waar haar Oheim Gottlob woont. Ze overnacht in een voormalig leslokaal dat als rommelkamer en opslagruimte wordt gebruikt en treft daar, tussen onder meer “driekante tennisraketten” en “dozen vol oude schoenen en slobkousen”, ook “een heel mooie partij wandelstokken en paraplu’s” aan (blz. 185). Vraag: waarom betreft het hier een heel mooie partij? Enkele tientallen pagina’s verder keren de wandelstokken terug, als Gottlob in zijn Platoonse betoog melding maakt van “de mooie partij wandelstokken die ik ooit op de kop heb weten te tikken” (blz. 154). Hier begon indertijd heel in de verte een belletje bij mij te rinkelen.
In 2009 verscheen Gekte en sektarisme, onder meer bevattende een eerdere versie van het eerste hoofdstuk van Tussen mes en keel. Kennelijk was ik tijdens het lezen met mijn gedachten elders, want de wandelstokken vielen me aanvankelijk niet op. Totdat een van de beheerders van dit blog mij met de neus op de feiten drukte (waarvoor dank): “Wist je trouwens dat in het alternatieve begin van Tussen mes en keel een tweetal fans optreedt, die op de markt een partijtje wandelstokken op de kop hebben getikt? Is dat niet uit De schat van Scharlaken Rackham?” En inderdaad, in het gesprek tussen Pasquale en Evenhuis meldt laatstgenoemde: “Dan heb je ook nog kans dat je op de rommelmarkt van Brussel een aardige partij wandelstokken op de kop tikt” (blz. 40).
Het gaat hier om het begin van het Kuifje-album Het geheim van de Eenhoorn (1943, Nederlands 1946). Kuifje komt in Brussel op “de voddenmarkt” – of vlooienmarkt, zie Bobbie op het vierde plaatje – de rechercheurs Jansen en Jansens tegen, die “een prachtige partij wandelstokken op de kop getikt hebben”. De markt in kwestie is de (nog steeds bestaande) rommelmarkt op het Vossenplein/Place du Jeu de Balle in de Brusselse Marollen. W.F. Hermans kon hier in de jaren negentig regelmatig worden gesignaleerd op zijn speurtocht naar interessante oude schrijfmachines ter uitbreiding van zijn verzameling. Want Hermans had Plato niet nodig om te weten dat geen schrijfmachine gelijk was aan een andere.


Jack van der Weide


zaterdag 4 juni 2011

Kuifje (5)

Poging tot volledigheid: dacht ik dat ik alle Kuifje-verwijzingen uit Literair 2011 – een reis door mijn boekenkast had beschreven, blijkt dat toch niet het geval te zijn. Op maandag 23 mei vinden we een citaat uit de Yage Letters (1963) van William S. Burroughs, met daarin een verwijzing naar pisco: ‘(Pisco is de plaatselijke sterke drank. Blijkt vergif)’. Bij het woord ‘Pisco’ plaatst Meijsing een voetnoot: ‘Vergelijk ook De zonnetempel van Hergé, waar kapitein Haddock zegt, terwijl Kuifje ernstig bezorgd is om het lot van professor Zonnebloem: ‘Ha, deze pisco, deze pisco – het is de mooiste dag van mijn leven!’ Dit nadat de onbetrouwbare havenmeester van Lima bij hun nutteloze bezoek had gezegd: ‘Wees zo goed een glas van deze pisco met mij te drinken.’’


De Zonnetempel is geen Kuifje-album waarnaar in het werk van Meijsing (bij mijn weten) vaker wordt verwezen. Laten we deze passage dus koesteren.

Jack van der Weide

maandag 13 december 2010

Kuifje (4)

Stelling: de kalender Literair 2011 – een reis door mijn boekenkast is de pendant van de roman Siciliaanse vespers, samen vormen beide werken een tweedekker zoals er meer zijn in het werk van Meijsing. Voor het Aha-moment zorgde het citaat van Jan Wolkers ‘Haar tepels sprongen op tegen zijn borsthaar als kikkers in een kokosmat’ (vrijdag 21 januari), dat ik terugvond op pagina 206 van Siciliaanse vespers als ‘Haar harde tepels zonken in zijn behaarde borst als kikkers in een kokosmat’. Wolkerskenners mogen mij vertellen welke van beide versies juist is – vermoedelijk de laatste. Ook twee van de Kuifje-citaten van de kalender (van 2 en 8 februari) keren terug in Siciliaanse vespers, in een gesprek tussen Erik-Jan en Lee:


“‘Zonderlinge plaats om een horloge te regelen?’ ‘De scepter van Ottocar.’ […] Lachend citeerde Wolf verder uit [Het zwarte goud]: ‘Donkere onweerswolken trekken samen boven Europa. De wereld is een kruitvat dat elk moment kan ontploffen.’”(p. 47-48).


Opmerkelijk genoeg kent de aanhaling uit De scepter van Ottokar hier het (juiste) woord ‘regelen’, waar op de kalender ‘op te winden’ staat. Wel geeft de kalender de correcte spelling ‘Ottokar’.


Siciliaanse vespers is onder meer, net als Literair 2011, een reis door de boekenkast van de schrijver. Onder meer, want de roman is natuurlijk breder, dieper en gelaagder dan de kalender. Alleen al het herinneringsaspect gaat veel verder: thema’s en motieven uit Meijsings werk keren, vaak uitbundig of nadrukkelijk, terug; personages uit zijn boeken komen voorbij; schrijvers, citaten en titels (ook van Meijsings eigen romans) buitelen over elkaar heen; en daartussendoor loopt Kuifje. Het mag zo zijn dat des schrijvers jeugdboeken “inmiddels verhuisd [zijn] naar de kamer van mijn dochter” (Stukwerk, p. 21), in diens werk lijkt Hergés schepping de laatste jaren alleen maar vaker de kop op te steken.


Naast de geciteerde passage komt Kuifje nog een keer prominent aan bod in Siciliaanse vespers, op pagina 105-106. We bevinden ons dan in het tweede deel van het boek, dat voornamelijk bestaat uit de brieven en e-mails tussen Erik-Jan en Lee. De oudere brieven van Erik-Jan worden steeds voorafgegaan door een plaatje uit een stripverhaal, en op de genoemde pagina’s komen de plaatjes twee maal uit een Kuifje-album – uit Het gebroken oor, om precies te zijn. De tweede keer wordt aan het begin van de brief geciteerd uit, opnieuw, De scepter van Ottokar:


Eik benik, eik blavek, zoals het motto van de koning van Syldavië luidt, door een onbetrouwbare Oostbloktolk vertaald als: ‘Wie goed doet, goed ontmoet.’”


Ook Erik-Jan had blijkbaar zijn Kuifjes niet bij de hand.

Terug naar Literair 2011, waarvan nog één Kuifje-citaat niet besproken is. Op 15 november lezen we: “Indien ik slechts een wapen had!” met als bronverwijzing “Uit Het geheim van de Eenhoorn, 1943”. Dit citaat trekt een klein spoor door het werk van Meijsing. Het valt al in ‘De tijd, de namen en de dingen (1)’ uit 1971:


“Hetzelfde deed ik met de complete avonturen van Kuifje door Hergé, m.i. de beste scenariohandboeken voor dramaturgen die ooit geschreven zijn, doorspekt met onvergetelijke exclamaties als: ‘Indien ik slechts een wapen had!’” (Erwins echo, p. 68)

In 1992 publiceerde ik een artikel over Kuifje bij Joyce & Co. De herkomst van ‘Indien ik slechts een wapen had!’ kon ik niet thuisbrengen, waarop ik het maar tot titel van het artikel bombardeerde. Maar Meijsing leek zelf hulp te bieden. In Tussen mes en keel valt het citaat opnieuw, dit keer mét bronverwijzing:

“‘Indien ik slechts een wapen had!’ zo verzuchtte ik. ‘Kuifje in De scepter van Ottokar, oude versie!’ bracht Kirchner het citaat meteen thuis.” (p. 181-182)

De hele Scepter van Ottokar doorgeploegd. Niets gevonden. Oude druk opgespoord. Niets gevonden, ook geen tekstuele verschillen overigens. En dan dus de nieuwe bronverwijzing, op Literair 2011, naar Het geheim van de Eenhoorn. Maar ook in dit album is het citaat niet te vinden. Bij toeval stuitte ik op een andere mogelijke bron, Cokes in voorraad. De context laat ik even voor wat ze is, maar op pagina 34 roept Kuifje, in een penibele situatie: “Had ik maar een wapen!” Cokes in voorraad behoort zeker tot de albums die Meijsing kent (zie bij voorbeeld de scène in ‘l’Art ou les caresses’ waarin Erwin zijn ontmoeting met Erica na het zien van een film vergelijkt met de ontmoeting tussen Kuifje en kapitein Haddock met generaal Alcazar aan het begin van Cokes in voorraad). Is het citaat wellicht anders in een oude druk? Nee. Niet in oude drukken, niet in de versie in het Kuifje-weekblad, niet in de Katholieke Illustratie. Het citaat bestaat niet, althans niet als Kuifje-citaat. Wel, inmiddels, als Meijsing-citaat.


(wordt ongetwijfeld nog ooit vervolgd, maar niet binnenkort)


Jack van der Weide

zaterdag 20 november 2010

Kuifje (3)

Uit het interview van Lidy van Marissing met Geerten Meijsing en Kees Snel in de Volkskrant, 13 mei 1972: “Aan de moderne Nederlandse literatuur besteden ze weinig tijd. Als twee belangrijke auteurs noemen ze Hergé (Kuifje) en Willy van der Heide.” In de jaren zeventig was het bon ton om het werk van Joyce & Co in verband te brengen met “Kuifje en de Rolling Stones”. Niet dat dat werk daar in overdreven mate aanleiding toe gaf, maar het bekte wel lekker (het leek sámen haast de naam van een band, analoog aan ‘Long Tall Ernie and the Shakers’ of ‘ZZ en de Maskers’) en vormde een mooi contrast met de overvloedige verwijzingen naar alle ‘hoge’ kunst en literatuur. En laten we niet vergeten dat een personage uit een Kuifje-verhaal in Erwin inderdaad een opvallende rol speelt: dokter Müller. Müller is een personage uit De zwarte rotsen (L’Île noir), een verhaal uit de late jaren dertig waarvan in 1946 de eerste Nederlandstalige albumuitgave verscheen. In 1966 werd een volledig hertekende versie van het verhaal uitgebracht.













Ik zal hier niet de bestaande en mogelijke dwarsverbanden herhalen tussen De zwarte rotsen en de scènes met dokter Müller uit Erwin. Wel wil ik nog één aspect eruit lichten. In Erwin is op pagina 202 sprake van “het smeedijzeren permanenten hek met de koperen plaat dr. J.W. Müller”. Dit hek is rechtstreeks terug te vinden in De zwarte rotsen – in de hertekende versie van 1966. Dit is opvallend omdat Meijsing groot moet zijn geworden met de oorspronkelijke versie van 1946, waar de koperen plaat de tekst “J.W. Müller M.D.” bevat. We zouden derhalve kunnen concluderen dat voor Erwin een andere versie van De zwarte rotsen is geraadpleegd dan die uit Meijsings jonge jaren en dat we hier te maken hebben met een geval waar juist níet de eigen, in meer of mindere mate vertekende, herinnering als bron wordt gebruikt (cf. mijn vorige bijdrage over Kuifje op deze weblog).







































Op zoek naar verwijzingen bij Meijsing naar Kuifje in het algemeen en De zwarte rotsen in het bijzonder stuitte ik overigens nog op een tot nu toe vrijwel onbekende publicatie over Erwin. Het betreft een artikel in het blaadje Wereld-Nonsens, dat in 1977 werd opgericht door enkele Nederlandse Kuifje-afficionado’s. In nummer 3 (1978) publiceerde Har Brok een systematische analyse van de rol van dokter Müller in Erwin aan de hand van De zwarte rotsen, waarbij hij passages uit de roman illustreert met behulp van het Kuifje-verhaal. Brok: “Het blaadje Wereld-Nonsens was indertijd een speelse privé-uitgave. Nog vóór de tijd van de computers, ik geloof dat het kopieerapparaat toen net uitgevonden was.” Wellicht heeft hij bij zijn analyse gedacht, met Kuifje (enkele pagina’s eerder in De zwarte rotsen): “Ik, die verzot ben op puzzles! Dat is een kolfje naar mijn hand! Aan het werk!...”. Hoe het ook zij, Brok was met zijn artikel wel de eerste, bij mijn weten, die zo uitgebreid op een losse scène uit een boek van Meijsing inging. En dat verdient lof, ook al is het tweeëndertig jaar na dato.

(wordt vervolgd)

Jack van der Weide (met dank aan Har Brok)

vrijdag 12 november 2010

Kuifje (2)

Keren we terug naar kalender Literair 2011 – een reis door mijn boekenkast. Op 3 maart vinden we de aantekening “Ook de sterfdag van de schepper van Kuifje, te Brussel in 1983, op de leeftijd van 75 jaar. Moe, leeg.” Over die laatste twee woorden valt heel wat op te merken, maar dat laat ik aan anderen. De schepper van Kuifje, Hergé (pseudoniem van Georges Rémi) werd op 22 mei 1907 geboren in de Brusselse voorstad Etterbeek en stierf op de door Meijsing genoemde datum in een andere Brusselse voorstad, Sint-Lambrechts-Woluwe. Op 10 januari 1929 verschijnt de eerste aflevering van het eerste verhaal over de gekuifde reporter (Tintin au pays des Soviets) in Le Petit Vingtième, het wekelijkse jeugdbijvoegsel van het katholieke partijdagblad Le Vingtième Siècle. De strip is onmiddellijk een groot succes en loopt vrijwel zonder onderbreking door in het blad tot december 1940. Na de oorlog herneemt Hergé zijn werkzaamheden, die al snel een grote (en wereldwijde) vlucht nemen. Ook Nederlandse lezers, inclusief de katholieke familie Meijsing, maken dan kennis met Kuifje, via het tijdschrift De Katholieke Illustratie.

De meeste Kuifje-citaten in Literair 2011 zijn te vinden in de eerste maanden van het jaar. Op 2 februari is het citaat van de dag “Zonderlinge plaats om een horloge op te winden” met als vindplaats “Uit De scepter van Ottokar, 1939, 1947 (vier kleurendruk)”. Alles klopt, op het laatste deel van het citaat na: een horloge wordt bij Kuifje niet opgewonden of gelijkgezet, maar geregeld. De scène betreft een bezoek van Kuifje aan professor Nestor Spiritus, zegelkundige. Bij het verlaten van het appartement van de professor passeert hij een man in het trappenhuis die bezig lijkt te zijn met zijn horloge. Het uurwerk is echter in werkelijkheid een “miniatuur fototoestel”, waarmee de man heimelijk een foto tracht te maken van Kuifje.

Een iets grotere vrijheid permitteert GM zich op 10 mei. Het citaat is deze keer afkomstig “Uit Kuifje in Tibet uit 1960” en draagt de titel SAXOFOON: “De Yeti mijn whisky opgedronken!?! Straks speelt hij nog saxofoon!” Ondanks het zeer authentiek aandoende leestekengebruik wijkt de oorspronkelijke tekst hier op meerdere punten af: “Yeti whisky gedronken! Waarom speelt hij geen saxofoon?” De woorden zijn afkomstig van kapitein Haddock, tijden een reddingsexpeditie voor Kuifjes oude vriend Tchang Tchong-Jen in het Himalyagebergte. De ingehuurde dragers uiten voortdurend, in gebrekkig Nederlands, hun angst voor de verschrikkelijke sneeuwman, de Yeti. Als Haddock merkt dat er een fles whisky uit zijn voorraad is verdwenen, zijn de dragers er van overtuigd dat de Yeti deze heeft gestolen en opgedronken.

Op 8 februari komt het citaat “Uit Kuifje en het zwarte goud, 1950” en luidt: “Donkere onweerswolken boven Europa. De wereld is een kruitvat geworden dat elk moment kan ontploffen.” De oorspronkelijke tekst, te lezen in het plaatje hiernaast, is te herkennen aan de woorden “Onweerswolken over Europa”. Van de tweede zin uit het citaat van 8 februari geen spoor. Mogelijk heeft GM de associatie gehad van ‘kruitvat’ met de ontploffende motor van Janssen en Janssens, enkele pagina’s eerder. De context van het citaat is ietwat complex. Hergé was Tintin au Pays de l´Or Noir begonnen in september 1939, maar moest het verhaal begin mei 1940 onderbreken vanwege de Duitse invasie in België: de plot betrof een poging tot sabotage van olievoorraden door een Duitse spion. Pas in 1948 pakte hij het verhaal weer op. Kuifje die de oorlogsdreiging in de krant voorleest is in feite een erfenis van de historische situatie van het oorspronkelijke eerste deel.

(In Werkbrieven 1968-1981 is eveneens een verwijzing naar Kuifje en het zwarte goud te vinden. In een brief van 24 september 1975 schrijft GM aan Frans Verpoorten over problemen die hij heeft met zijn auto: “Het oliemalheur (ze liep er gewoon meteen weer uit) is uiteindelijk opgelost bij een Kuifjesgarage in Locarno (Cf.: ‘Maar dat is Samuel Goldstein niet!’)”. Interessant aan dit citaat is de verwijzing naar Samuel Goldstein, waarnaar de lezer van de Kuifje-albums vanaf 1971 vergeefs zal zoeken. In dat jaar verscheen namelijk een gedeeltelijk hertekende versie van het verhaal, waaruit de verwikkelingen rond de Kuifje lookalike Samuel Goldstein en de Joodse verzetsorganisatie Irgoen weggeschreven zijn. Opnieuw was Hergé ingehaald door de historische werkelijkheid. GM is uiteraard opgegroeid met de oude versie, de ‘Goldstein-versie’ van Kuifje en het zwarte goud.)

Voorlopige conclusie met betrekking tot de Kuifje-verwijzingen op Literair 2011: omdat de jaartallen bij de citaten steeds kloppen, rijst het vermoeden dat voor de harde feiten internet is geraadpleegd. Daarentegen lijkt voor de citaten zelf het geheugen van de auteur de belangrijkste bron. Maar juist de discrepanties tussen de herinnerde citaten en de oorspronkelijke tekst, samen met de keus van de citaten, maken de zoektocht interessant: welke passages en welke uitspraken, uit welke albums, zijn het citeren waard? En in welke vorm
hebben die teksten zich vastgezet in het geheugen van de auteur?

(wordt vervolgd)


Jack van der Weide

maandag 25 oktober 2010

Kuifje (1)

Mijn eerste kennismaking met het werk van Geerten Meijsing liep via Kuifje. Eind 1980 las ik in een artikeltje in het tijdschrift Stripschrift hoe in de roman Erwin van de mij onbekende Joyce & Co een personage voorkwam, Dr. Müller, dat rechtstreeks was weggelopen uit het Kuifje-album De zwarte rotsen. Om te zien hoe dit mogelijk was leende ik Erwin van de bibliotheek, las het in een paar dagen uit en was verkocht. En hoewel het aandeel van de Brusselse reporter in Meijsings werk altijd relatief marginaal is gebleven, zijn verwijzingen naar zijn avonturen een constante sinds de allereerste, pre-Erwinistische verhalen. In 1992 heb ik al een keer een poging tot inventarisatie gedaan, voor het werk van Joyce & Co. Een nieuwe inventarisatie, voor het werk sinds 1986, zou op zijn plaats zijn. Tot die tijd zullen we het met wat flarden moeten doen.

Ook in Meijsings meest recente publicatie, de kalender Literair 2011 – een reis door mijn boekenkast, zijn Kuifje en zijn schepper Hergé weer terug te vinden. Al meteen op 1 januari vinden we in de lijst met ‘Goede voornemens voor het nieuwe jaar’ als elfde voornemen: “Ik zou graag rum willen drinken die op de bodem van de zee is gevonden in gezelschap van kapitein Haddock”. Dit is een verwijzing naar het album De schat van Scharlaken Rackham, waar Kuifje, Haddock en de rest in een scheepswrak op een lading rum stuiten. Met name Haddock is hierover opgetogen: “Rhum van Jamaïca! … Tweehonderd vijftig jaar oud! … U zult me daar nieuws van vertellen!”

Een andere verwijzing naar De schat van Scharlaken Rackham is al te vinden in Venetiaanse brieven, in de brief van 11 januari 1977 waarin het Vittoriale van D’Annunzio wordt beschreven: “‘Ik heb ze natuurlijk uiteengenomen,’ zegt professor Zonnebloem vergoelijkend tegen de kapitein over een bescheiden eenpersoons duikbootje – D’Annunzio heeft de moeite genomen een half slagschip weer in elkaar te zetten, op de bergwand.” En met die passage in het achterhoofd zou het zo maar kunnen (late Van Basten) dat aan het begin van De grote snelle schepen: enkele reis precies dezelfde scène door het hoofd van de schrijver heeft gespeeld: “De wagen, overigens in opmerkelijk goede conditie […] is door de douane van Genua geheel uiteen genomen” (p. 8). Of lees ik daar te veel in?

(wordt vervolgd)

Jack van der Weide