Posts tonen met het label Tussen mes en keel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tussen mes en keel. Alle posts tonen

zaterdag 17 november 2012

Nanne Tepper

‘Sinds Wanja, onze correspondent in Lula, in zijn boek beschreven had hoe zusje haar geliefde broer ’s ochtends komt wekken met een limonadeglas vol bourbon, was hij op Jack Daniel’s overgestapt. Black Jack, sour mash, dat was voortaan zijn merk.’ (Tussen mes en keel).

Afgelopen zaterdag overleed Nanne Tepper, die model stond voor Wanja in Tussen mes en keel. Meijsing en Tepper voerden in de tweede helft van de jaren negentig een bij tijd en wijle intensieve correspondentie, met soms meerdere brieven per week. Aanleiding tot de correspondentie was Teppers debuutroman De eeuwige jachtvelden (1995), door Meijsing in zijn allereerste briefje ‘een ontroerend boek’ genoemd. Tepper was op zijn beurt al langere tijd een bewonderaar van Meijsing – in zijn antwoordbrief noemt hij zich een ‘trouwe, kritische lezer en verzamelaar’ van diens werk.
De eeuwige jachtvelden werd ook door de kritiek goed ontvangen. De recensies varieerden van gematigd positief tot uiterst lovend. In 1996 ontving Tepper de Anton Wachterprijs, een tweejaarlijkse debutantenprijs; Meijsing was aanwezig bij de uitreiking in Harlingen. In 1998 publiceerde Tepper zijn tweede roman, De vaders van de gedachte, die eveneens positief werd ontvangen en op de shortlist voor de Libris Literatuurprijs 1999 kwam te staan. Tussendoor verscheen nog in beperkte oplage de novelle De avonturen van Hillebillie Veen, die enkele jaren later opnieuw voor de handel werd uitgegeven. In 1999 zag ook een Engelse vertaling van De eeuwige jachtvelden het licht, The Happy Hunting Grounds. Daarna werd het stiller rond Tepper; in 2008 bracht zijn nieuwe uitgeverij De Bezige Bij De lijfbard van Knut de Verschikkelijke uit, een verzameling teksten uit vooral de jaren negentig.
In de roerige jaren 1996-1998 was de correspondentie met Tepper voor Meijsing erg belangrijk. ‘Ik heb deze onverwachte brief bevestigd aan mijn prikbord’, laat Meijsing in Tussen mes en keel Provenier opmerken over een brief van Wanja. ‘Hij had voor mij extra waarde omdat ik al mijn oude correspondenties had afgebroken. Deze verwante stem uit Lula was balsem voor mijn ziel. Daar in het hoge noorden werd een kaars voor mij gebrand. Er was nog iemand die aan mij dacht.’
Het contact tussen beide schrijvers verslapte tegen het einde van de jaren negentig, al bleef Tepper wel sporadisch in het werk van Meijsing opduiken. Nog in 2010 schrijft laatstgenoemde in Literair 2011 (2 juli, voetnoot 1): ‘Sterfdag van Vladimir Nabokov […]. Mijn lievelingsboeken van hem zijn Speak, Memory uit 1967, en Ada or Ardor: a Family Chronicle uit 1969. Nanne Tepper deelt die voorkeur’.
De brieven van Meijsing aan Nanne Tepper zullen in de loop van 2013 verschijnen bij de Statenhofpers, verzorgd door Taco de Kort en ondergetekende.


Jack van der Weide

dinsdag 2 augustus 2011

VAN DE HOED EN DE RAND

Het zal de wens van iedere schrijver zijn dat zijn boeken op eigen merites worden beoordeeld. De autobiografische bouwsteentjes die bij de constructie zijn gebruikt houdt hij het liefst verborgen. Niettemin bestaat er bij de lezer een begrijpelijke interesse juist voor dit autobiografische element. Pas als de tijd voorbij gaat en de wereld die in een boek haar beslag heeft gevonden niet meer bestaat verdwijnt deze gretigheid. Niemand zal nog belangstelling hebben voor de reeds lang gestorven personen waarnaar Thomas Mann de figuren modelleerde die zijn Toverberg bevolken.
Ik kom hierop omdat ik bij het doorbladeren van de ordner met brieven van Geerten Meijsing een passage terugvond die een mooie aanvulling is op mijn stukje De hoed en de stoel. Voor alle nieuwsgierige lezertjes, en met excuus aan de schrijver, die wel wrevelig op het mondstuk van zijn pijp zal bijten: ooit is dit allemaal volkomen irrelevant, en blijft alleen het boek. Insj’ Allah.

Amsterdam, 26 september 1996

Beste Jan-Paul,

Als ik het wel heb, hoor ik weinig van je. Het mag toch niet zo zijn dat je beducht ben geworden door mijn vloeibare aanslag op je privacy – waar ik mij diep, diep voor schaam, jongen, en ik heb je de stomerij, de stoffeerder, het schoonmaakbedrijf en de meubelmaker aangeboden, om de rekening te betalen; maar kennelijk disponeer jij over stoelen alsof het tandenstokers zijn. Wellicht kun je ook een beetje de grap daarvan inzien, afschuwelijk als het is. Heeft Marjolein gezegd: en nu basta met zo’n waardeloze vriend? Dat geloof ik eenvoudig niet. Ook niet na die kwestie van een reminiscentie aan “onze hoeren” – net of we samen op het biljart lagen, zoals Baudelaire met zijn vrienden: hoge hoed ophouden en cigaar brandend. Neen, zulke uitspattingen hebben wij nooit samen beleefd, en ik heb jou er niet toe aangezet, bij mijn weten, als nieuwsgierigheid naar jouw stemmingen iets anders is.
 Wellicht zijn er dingen gebeurd, telefonades gepleegd, die minder welkom waren en waarvan ik mij weinig meer herinner uit de afgelopen manische week? Vertel mij dat dan van man tot man, en ik zal asch over mijn hoofd uitstrooien. Ashes to ashes and dust to dust.
 Ben je moe van de eindeloze verhalen – zijn die eigenlijk wel eindeloos? – en vind je wellicht dat ik te weinig naar jou luister? Zeg het mij: je weet dat jouw persoon en alles wat je doet mij ten zeerste interesseren.
 Heb je geen tijd om te schrijven? Ook daarvoor heb ik begrip.
 Ben je in een “dip”? Wellicht kan ik je vermaken. Voor midlife crisis ben je nog te jong, godbetere.
 Ik een fatsoensrakker? Dan ken je mij niet.
 Over zeilen hebben we trouwens nog niets afgesproken – daar zou haast bij zijn want tegen 1 oktober gaan de bootjes wel het water uit voor een lange, lange winterreis van onbeweeglijke stolling in de loods.
 Nou ja, ik moet nu, in twee dagen, een stuk schrijven over Verveling – avanti!
Je zeer toegenegen vriend,

Geerten

maandag 11 juli 2011

FANTOOMGIDS

In de zomer van 1996 ging ik met mijn gezin op vakantie naar Toscane. We hadden een huis gehuurd in Vorno, een vlekje in de nabijheid van Lucca. Een van de redenen voor de keus van die plaats was mijn vriendschap met Geerten Meijsing. We zouden hem op gaan zoeken in Arsina, eveneens onder de rook van Lucca, en hij zou ons al die 'plaatsen, gebaren en gewoonten' (zoals Steinbeck schrijft) laten zien die het land tekenen.
Het liep anders. Wij vertrokken met een auto vol kinderen en bagage zuidwaarts, maar Geerten bleef in Amsterdam. De gebeurtenissen zoals die zijn beschreven in Tussen Mes en keel hadden hun verzadigingspunt bereikt en van Geertens repatriatie was na een verblijf in de PAAZ van het St. Lucas even geen sprake. Maar hij gaf ons zijn uitgebreide zegen mee. Een hele avond lang zong hij onder de gestage inname van grappa de lof van zijn woonplaats. De topografie tekende hij uit het hoofd voor ons op.
Eenmaal ter plaatse bleek een gids onontbeerlijk. De idyllische plekken die we met de kinderen moesten bezoeken bleken onvindbaar of dusdanig moeilijk bereikbaar dat we de moed opgaven nog voor we de onderneming goed en wel begonnen waren. Bij een telefoonpaal rechts de bush in gaan en vijfhonderd meter de kloof in zakken, op zoek naar een onzichtbaar kristalhelder poeltje, is voor stadsbewoners met kleine kinderen niet zo vanzelfsprekend. Ook het huis van Geerten, dat we bij afwezigheid van zijn bewoner dan maar als literair toerist besloten te bekijken, konden we niet vinden. Pas onlangs begreep ik dat dát niet aan ons lag: ook Geerten en Keith dwaalden de eerste keer doelloos rond voor ze het Casa Colonica konden vinden, zoals u heeft gelezen.
In Vorno hadden we het geweldig naar ons zin. En uit Amsterdam kwamen brieven waarin Geerten ons alsnog bij de hand nam en de streek door zijn ogen liet zien.
Uit de verzameling van onze brieven, die al jaren op de burelen van allerlei uitgeverijen rondslingert en wel nooit uitgegeven zal worden, citeer ik, speciaal voor u. Ikzelf word er om verschillende redenen erg weemoedig van. Praktische zaken, zoals: ‘Vergeet alsjeblieft niet om een doos met tien pakjes extra-vecchi voor me mee te nemen, à rembours’, laat ik weg. De datum is 5 juli 1996, de plaats – helaas – Amsterdam.

‘Kus voor mij het plaveisel van de stad, en neem een kiezelsteen mee uit de tuin op de muren waar je des avonds onder de bomen en tussen de vuurvliegjes (om het niet over de vrouwen te hebben, dressed to kill) een glas spumante gaat drinken.
 Luister naar het stromend water, naar de krekels en cicaden; laat de geuren van tijm en rozemarijn en basilicum op je inwerken (elke dag, bij de salade, ruimschoots basilicum gebruiken, goed voor de maag, en een geur in de keuken als een stilleven van een Portugees). Men eet laat in de avond, als het koeler begint te worden, reeds geheel donker is. Houd een siësta op het heetst van de dag met je mooie vrouw, voor lome liefde. (Geef haar mijn complimenten). Besproei de dochters en je zoon met de tuinslang. Laat je linkerarm uit het raam hangen als je langzaam door de hitte rijdt, en zie hoe mooi alles is; ga naar Bagni di Lucca, waar een geweldig zwembad is met heilzaam, fosforhoudend, water; dat was ik nog vergeten je te vertellen. Drink een aperitivo di casa in het Centro dei Forestieri aldaar en zie hoe mooi de platanen zijn, en hoe snel de rivier stroomt. Stel je voor dat Byron en Shelley daar rondliepen, en dan ’s avonds te paard, of per karos, naar Lerici reden aan de Golfo dei Poeti, waar je een bootje moet nemen naar Portovenere, om in de kerk het mooiste zelfmoorddeurtje te zien dat er is. Wij gingen ’s nachts zwemmen in alle vijf de haventjes van de Cinque Terre. Rijd de Garfagnana in, naar het Lago di Sotto, en kijk of het droogligt, met het verdronken dorp waarvan alleen de kerktoren nog boven de golven uitsteekt. Stel je voor dat ik, in overlappende lagen van herinnering, op al die plaatsen gelukkig ben geweest, met Keith, met Hetty, met Laura, met Iris, met Aminta. Dit weekeinde ga ik met Laura naar de bioscoop – moet ik haar knie streken in het donker?’
 ‘Jan-Paul, kijk bij de kiosken naar goedkope aanbiedingen van opera’s en zangkunst en ook vidéo’s, alles is voorradig voor tien of twintigduizend lire. (Totó is erg leuk, ook voor de kinderen). Koop voor Marjolein het blad Anna, waar altijd cadeaux bij zitten, en probeer voor jezelf eens een avontuur van Dylan Dog. Toscaans brood is zonder zout (zelfs Adri weet dat), maar op de Piazza Santa Maria is een panetteria waar ze prima brood verkopen, casalinga of casareccio. Geef de kinderen dagelijks een stricia di focaccia, en één keer in de week een coppa di frutte di bosco op de Piazza dei Mercanti in de Via Fillungo, het enige terras waarop je je kunt vertonen. De dikke baas, de oude Nuti, kent mij goed en is altijd bereid tot een praatje in een van de wereldtalen. Daarna kun je om half tien naar de openluchtbioscoop, waar je, door de filmdecors heen, de orologio kunt horen slaan in de blauwe nachtlucht. Als je bier wilt drinken (en probeer dat op het plein van Pietrasanta), bestel dan Warsteiner, werkelijk voortreffelijker dan Peroni of Heineken.
 Laat het licht, de nacht, de geluiden, de geuren, de vergezichten, het water, de kaas en de wijn in je dringen, geef je er aan over.
 Hé Jan-Paul, zo kan ie wel weer, denk je niet? Ik blijf je schrijven. Don’t bother to write me, want je bent op/met vakantie. Rucola groeit gewoon tussen het gras.

In vriendschap,

Geerten Meijsing.’

Jan-Paul van Spaendonck