Posts tonen met het label Pijpen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Pijpen. Alle posts tonen

woensdag 6 januari 2016

The Art of Joy

Midden jaren negentig gaf de tabaksfirma Theodoor Niemeyer te Groningen een vreemd soort tijdschrift uit, genoemd naar een van hun pijptabakmerken: Art Enjoy. In het 1e nummer van jaargang 1994 van dit over de lengte gevouwen A3 blad treffen we een interview aan met "schrijver par excellence" Geerten Meijsing. Omdat het zo'n enorme lap is, heb ik het in vier enigszins leesbare stukken gesneden. Hieronder volgt het.
(rke)






maandag 19 december 2011

KERSTPIJP


De Avalon Pers te Woubrugge geeft elk jaar een kerstverhaal van Geerten Meijsing uit. Mooi verzorgd en liefdevol gedrukt op degelijk papier zoals dat een ambachtelijk drukker betaamt, en in stemmig rood verpakt. Alleen komt vreemd genoeg dat kerstcadeau voor de Meijsingminnaar nimmer op tijd. Op zijn vroegst in de late lente kunnen we lezen hoe Geertens vader vroeger de jaarlijkse kersteend klaarmaakte. Als ik die gang van zaken probeer te begrijpen kom ik op zoiets uit: in boekenland is men niet aan de gewone mensentijd gebonden, boeken zijn immers eeuwig. Televisieprogramma’s en krantencursiefjes hebben deadlines, maar in de wereld van de boekenmakers tellen die blijkbaar niet. We moeten zo’n jaarlijks kerstverhaal maar in retrospectief rond kerstmis situeren. Wat is een maand, een jaar, op de literaire eeuwigheid?

In het jaar onzes Heren 2008 ging het niet zo goed met mij. Ik liet het leven maar zo’n beetje op zijn beloop. Om mijn muzikale verantwoordelijkheden niet onder ogen te hoeven zien nam ik een baantje in een chique sigarenwinkel. Ik dronk te veel. Deze omstandigheden inspireerden Geerten ertoe het personage Pasquale uit Tussen mes en keel weer op te pakken: de succesvolle zanger van het Napolitaanse lied was inmiddels aan lager wal geraakt, speelde op tochtige straathoeken, en bekommerde zich eigenlijk alleen nog om zijn uitdijende pijpencollectie. Reve en Dickens en andere seizoensingrediënten kwamen eraan te pas en het leverde een pracht van een novelle op: De kerstpijp.
Ongeveer in dezelfde tijd waarin dat boekje het licht zag, in de nazomer van 2008 of daaromtrent, kreeg ik het idee om er een hoorspel van te maken. Dat kwam zo. Elk jaar met kerst stuurt onze familie een huisgemaakte cd rond. Die bevat liedjes van eigen hand en covers van bestaande muziek. Maar waarom dit jaar niet eens wat anders? Mijn kop stond toch al niet zo naar muziek. Geerten was enthousiast, Robert, met wie ik in het verleden menig hoorspel had gemaakt, ook. Mijn kinderen hadden geen bezwaar, die vinden die kerst-cd alleen achteraf leuk. Op het moment zelf moeten ze een elk jaar groeiende tegenzin overwinnen.
Op de zolderkamer van mijn zoon kwamen we bij elkaar. Geerten las geduldig en met veel verve zijn tekst voor. De handgebaren kregen wij erbij, die zijn op de schijf niet zichtbaar, maar wel te horen: in de natuurlijke accenten van de vertelstem. Een makkelijke klus was het niet. Geerten schrijft een ogenschijnlijk parlando, met veel naturel klinkende uitweidingen, maar het is een papieren parlando, dat viva voce vaak niet op een enkele ademtocht te volbrengen is. Het moest vaak over. Regelmatig paste hij de geschreven tekst aan naar wat gesproken beter bekte: interessant voor het nageslacht! Op de bank onder het kapelraam zat Robert en hield het procédé nauwlettend in de gaten: hij heeft jarenlang radioprogramma’s voor de Concertzender gemaakt, en mocht zich dus als enige van ons een professional noemen. Hij deed een paar stemmen: een barse politieagent, een perverse antiquaar. Blijkbaar maakte Roberts sonore radiostem indruk op de schrijver. Nog jaren later kon die, als Eksteen ter sprake kwam, me plotseling schuins aankijken en uitdagend zeggen, met iets van een kwajongensachtige opstandigheid: ‘Ik vind die Robert wel streng, hoor.’
Nu en dan kwam mijn dochter van beneden om met heldere meisjesstem de rol van Theresa in te spreken. Ze had de fijne tact om het rollenspel niet te veel op de werkelijkheid te betrekken, die voor haar niet leuk moet zijn geweest. Ik bromde mijn eigen gebrom. Mijn zoon zat aan de knoppen.
Onze bedoeling en ambitie was om van De kerstpijp het ultieme kersthoorspel te maken. Geerten gaf me een voorbeeld van William Burroughs mee: zo ongeveer moest het klinken, die louche, desolate maar toch ‘gezellige’ sfeer moesten we zien te treffen. We plakten er muziekjes en omgevingsgeluiden onder, maar ons doel, ik zeg het maar eerlijk, bereikten we niet. Want anders dan bij bibliofiele boeken het geval is moet onze kerst-cd stipt ‘met kerst in de bus’. De tijdsdruk die dat opleverde voorkwam dat we het onderste uit de kan haalden. De muziekkeus had beter gekund, en aan de tekst hadden we eigenlijk nog wel een sessie mogen wijden. Te laat, want kerst stond alweer voor de deur, en Geerten was terug naar Sicilië. Zo moest het maar.
Maar zie! Het geviel, dat ons hoorspel in handen kwam van een via via bevriende radiomaker en werd uitgezonden door de VARA, in de kerstnacht van dat jaar. Op die avond zat te Heemstede de oude mevrouw Meijsing-Schouten rechtop in haar ziekbed. Ze kon de slaap niet vatten. Haar verpleegster van de thuiszorg zette, om de drukkende stilte uit te bannen, de radio aan. En daar klonk, totaal onverwacht, vanuit de koude winterse ether de stem van haar jongste zoon, die op dat moment tweeduizend kilometer van haar verwijderd was. Wat er op dat moment door haar heen ging weet ik niet, maar het zal haast wel een gevoel van warmte en verwondering zijn geweest.
Zalig kerstfeest!

Jan-Paul van Spaendonck

(De kerstpijp kunt u beluisteren door hier te klikken. Het downloaden kan even tijd kosten.)

donderdag 3 februari 2011

PIJPROKEN: HET VERVOLG

Toen ik aan het slot van Pijproken: de trilogie beloofde in een vervolg het pijproken in het werk na de waterscheiding Cecilia (één vindplaats) te behandelen, vermoedde ik al dat ik het moeilijk zou krijgen. Die vrees kwam uit, en ik kan mijn gelofte dan ook nauwelijks gestand doen. Bottom line: er wordt in de boeken van Geerten Meijsing maar weinig pijp gerookt. Nu is het natuurlijk geheel de vraag of je kunt eisen of zelfs maar verwachten van een pijprokend auteur dat hij in zijn werk zijn rookgewoonte een plaats geeft. Simenon deed dat, net zo excessief als hij zijn andere verslavingen (drank en vooral vrouwen) een plaats gaf in zijn romans durs en Maigrets. Maar Mulisch? Ik ben geen kenner, noch zelfs een echte lezer van zijn werk, dus u moet het maar zeggen. Ik heb wel mijn vermoedens.
De trilogie leverde overigens nog twee mooie vondsten op. Het bedaagde aspect van het pijproken wordt op Kerouac-achtige wijze ontkracht door de volgende passage:

‘Als we in onze eigen kamers waren, droegen we bontjassen en poolparka’s en hielden onze handen rond een walmende pijpekop geklemd, en terwijl ik op het hemelbed een lange droeve brief las, waarin Martha beweerde dat het beter was als we elkaar niet meer zagen, sprong Michael door de kamer over het marmer en het bed heen, rookte pijpen en sprong dan naar het antieke kabinetje toe om waanzinnige dingen neer te krassen, de blinden openwerpend om naar buiten uit de hoge koude ramen over de porfieren sneeuw dertig kilometer naar de zee te kijken, het borstbeeld van de Kardinaal wankelde op het certosina-tafeltje dat ingelegd was met ivoor: het leek zo prachtig, maar op een gegeven moment ging alles mis. Want voor de eindeloze uitleg die ik van hem eiste en de verklaringen die ik van haar ontzenuwde, had Michael geen aandacht meer.’ (Michael van Mander, pg. 108)

Een pijp blijkt ook voor oneigenlijke zaken te kunnen dienen. In de scène waarin de jonge helden, tevens aspirant cineasten, in Berlijn aan het opnemen zijn, worden er reefers gerookt.  Dat hashgebruik krijgt een idiosyncratische draai:

‘En toen ze zo even gezeten hadden, deden ze het hele stuk dat nog over was in een pijp, en omdat Frans en Erwin allebei niet zo erg goed wisten wat ze nu moesten doen, draaide Erwin haar gezicht naar zich toe en kuste haar op de mond, en legde zijn hand op haar borsten. Frans zat nog te suffen tegen de muur met de pijp in zijn hand...’ (MvM, pg. 207)

De trilogie terzijde leggend, doelbewust doorstotend naar de vólgende trilogie, de dubbeldekker Veranderlijk & wisselvallig/Altijd de vrouw en hun pendant Een meisjesleven, werd ik hier en daar beloond. Mondjesmaat met een kleine verwijzing, zoals:

‘Voedsel smaakte hem niet meer, van zijn pijpen werd hij misselijk, zelfs grote hoeveelheden drank maakten hem niet dronken meer.’
(V&W, pg. 121)

Of, bevredigender, met deze schitterende alinea:

‘Gezeten voor dat raam, het welbekende uitzicht van de straf die hij erop had zitten, luisterde hij naar de Tyrrheense, naar de Ionische Zee, maar hoorde slechts een enkele uil, de kachel en de tabak in zijn pijpekop: brandende vuurhaarden in de hoge, stille koude.’ (Altijd de vrouw, pg. 184)

Het oorspronkelijk onder het pseudoniem Eefje Wijnberg gepubliceerde Een meisjesleven geeft een soms onthullend beeld van leven en leefomstandigheden van de jonge Meijsing, die zich hier laat zien door de ogen van iemand anders, en zichzelf portretteert zoals ook wij, lezer, hem wellicht gezien zouden hebben in die tijd; geen mystificatie hier, in dit bij uitstek mystificerende boek:

‘Hij woonde op twee kleine kamertjes in het huis van zijn ouders. Zijn eigenlijke beroep was romanschrijver, beweerde hij, maar zijn grote werk stond nog in de steigers.'
 (Een meisjesleven, pg. 93)

In auto’s voelt Meijsing zich thuis, en die huiselijkheid accentueert hij met het opsteken van een pijp. In Michael van Mander lazen we hoe Frans Erwins pijpen op zijn aanwijzingen aanstak tijdens een rit, non stop, naar Italië. In deze roman neemt Eefje die taak over.
Omstandigheden: een koude, regenachtige morgen. Eefje en Erik zijn on the road (‘De Citroën was een paleis om in te rijden’), met als reisdoel, natuurlijk, Italië.                                                                                                                                       

‘ik verwisselde de bandjes van de taperecorder, stak af en toe een pijp voor hem aan en leunde achterover in de rode kussens, me verheugend op wat komen ging.’ (Een meisjesleven, pg. 210)

En hier, in deze later op waarde geschatte potboiler, lezen we ook dat een pijp wel degelijk een belangrijke manifestatie of verlengstuk van Meijsings persoon of personage vormt, ja zelfs een substituut kan zijn tijdens zijn afwezigheid. Want wat doet Eefje als ze zich eenzaam voelt?

‘Ik stopte een van zijn pijpen en stak hem aan om in een wolk van zijn geur te zitten.’ (Een meisjesleven, pg. 217)

Voor een van de zeldzame directe mededelingen over de aard en het belang van het pijproken moeten we een flink aantal jaren vooruit in de tijd. Maar dan vinden we ook tegelijk een mogelijke verklaring voor de schaarse aanwezigheid van pijpen en pijptabak in de periode van Meijsings volwassen schrijverschap. Zonder de auteur nu meteen het romantische predikaat ‘getormenteerd’ op te plakken kunnen we rustig stellen dat zijn leven niet gemakkelijk is geweest, zowel in de liefde als in de receptie van zijn werk vol lotwissel en onrust, en in toenemende mate belemmerd door ziekte en ongemak van fysieke en psychische aard. In Dood meisje, een boek waarin verder vooral veel Davidoff classic wordt gerookt, lezen we het volgende:

‘’Schenk nog maar eens in, pijpemans!’ Voor Gardenier was het opsteken van een pijp een teken dat hij zich op zijn gemak voelde; de zwarte sigaren rookte hij alleen in momenten van stress. De toon van haar opmerking, die hij als neerbuigend had kunnen opvatten, wekte in dit geval slechts de lachlust. Een escort met gevoel voor humor – die waren zeldzaam!’ (Dood meisje, pg. 40)

In toekomstige romans zal de nu zestigjarige schrijver, die iets meer gemoedsrust (of is het berusting?) lijkt te hebben gevonden in de voor de buitenwereld kleurrijke, maar in werkelijkheid ongetwijfeld moeizame omstandigheden van zijn Siciliaanse ballingschap, misschien meer aandacht besteden aan de kunst van het pijproken, die hij vlijtig en met veel genoegen beoefent. Tot dat moment zijn we met de novelle De kerstpijp ruim voorzien, als we ons bij tijd en wijlen willen vereenzelvigen met een pijprokend romanpersonage.

Jan-Paul van Spaendonck

woensdag 12 januari 2011

PIJPROKEN: DE TRILOGIE

Verwacht geen diepgaande studie aan te treffen in het volgende. Het onderwerp is er ook niet naar, hoewel voor mij het pijproken een serieuze zaak is. Historische betekenis heeft het nauwelijks, literair-historisch gezien is het misschien iets belangwekkender, gesteld dat u Simenon, Conan Doyle en Tolkien tot de literatuur rekent, wat ik betwijfel. Dat ik toch een stukje wil wijden aan deze volstrekt marginale bezigheid komt door de foto’s die mijn collega onder het kopje ‘Meijsing aan de pijp’ op dit blog plaatste. Mijn gedachten verwijlden aangenaam bij zowel het pijproken als de Siracusaanse auteur, en ik besloot mezelf een kleine knieval voor mijn liefhebberij toe te staan.

‘Meijsing afficheert zich graag als pijproker’. Dat kan waar zijn, maar een icoon van het pijproken is hij niet, zoals Simenon dat was, of Harry Mulisch; van die beide auteurs is het moeilijk een enkele afbeelding te vinden waarop ze géén pijp in de mond hebben, waarbij aangetekend dat Mulisch de laatste jaren van zijn leven pijploos was: hij was er ‘overheen gegroeid’, van de ene dag op de andere had hij zijn gekoesterde Dunhills opzij gelegd. Meijsing is weliswaar vaak te zien met pijp (zie bijvoorbeeld de omslagfoto’s van Michael van Mander of, recent, De grote schepen) maar dat hij met zijn pijp vergroeid is kun je moeilijk zeggen. Vaker zien we hem zonder, en de laatste decennia is een stugge Toscano favoriet, als er gerookt moet worden.
De fervente pijproker heeft dan ook niet zo gek veel te zoeken in Meijsings oeuvre. De pijp en het roken ervan is niet een gezellig ijkpunt in zijn werk, zoals in dat van de door Meijsing bewonderde Simenon. We gaan hier natuurlijk voorbij aan de geheel aan pijproken gewijde novelle De kerstpijp.
Met dat uitgangspunt spitte ik de trilogie nog eens door, op zoek naar sporen van Meijsings rookgedrag. Twee dingen vielen me daarbij op.
Ten eerste: Meijsing neemt het pijproken niet erg serieus. Hij lijkt te twijfelen of pijproken wel past bij het imago dat hij voor de jonge zelfmoordzwangere held Erwin zo zorgvuldig heeft ontworpen. Natuurlijk, het deel van Erwin dat erudiet, vroeg-oud, melancholiek, filosofisch geneigd en classicistisch van attitude is vraagt om een pijp en krijgt die ook. Maar een ander deel van Erwin is sportief, meisjesgek, in gamba en man van de wereld: bij dat aspect van het literaire personage past een pijp nu weer juist niet: in de jaren zestig, waarin Erwin opgroeide, was pijproken toch vooral iets, net als nu, voor ouwe lullen, - de tijd waarin filmsterren zich met elegante, slank gesneden pijpen lieten afbeelden was voorbij. Een fallussymbool was zij al helemaal nooit, de pijp, en een teken van goede smaak ook niet meer.
Zo krijgt Erwin dus wel een pijp aangemeten, maar wordt daarop weinig nadruk gelegd. Gezien door het oog van de pijpenkundige die ik mezelf noem (de pijpengek die anderen me vinden) is Erwin als pijproker zelfs nogal een amateur. Lees met me mee:
‘Dan stak hij zijn pijp opnieuw aan. Hij kreeg een straal bijtend sap in zijn mond en klopte de pijp meteen weer uit in de haard.’ (Erwin, p. 128)
Zoiets overkomt een ervaren pijproker niet, die houdt zijn instrumenten goed schoon en rookt dezelfde pijp nooit meer dan één keer per dag. Een straal bitter vocht in de mond duidt op ernstig misbruik, zelfs klungelige onkunde.

Ook neemt Meijsing de cultus die pijproken is nauwelijks serieuzer dan zijn protagonist. Een wezenlijk onderdeel van de romantisch-decadente traditie waarin hij zich met de trilogie plaatst is het benoemen en beschrijven van verfijnde en uitgelezen parafernalia. De schrijver is niet zomaar iemand, zijn alter ego al helemaal niet, en alleen het bijzonderste is goed genoeg. De smaak van Erwin wordt minutieus gedetailleerd uitgelicht en we komen veel te weten over zijn veeleisende voorkeuren. Ik verwachtte daarom half en half bij deze doelgerichte bloemlezing op een tot nog toe over het hoofd geziene passage te stuiten, waarin een bepaalde, zelden gerookte, slechts bij een hoogbejaarde tabakshandelaar in een oud Duits stadje aan een trage, grijze rivier te verkrijgen tabak zou worden beschreven. Ik kwam bedrogen uit. We komen slechts te weten dat Erwin en zijn boezemvriend Michael hun pijpen stoppen uit een tabakspot van Delftsblauw aardewerk, weliswaar geen nostalgisch geval voor toeristen want met zilveren deksel en gekregen van Michaels moeder, maar toch: het soort container waarin doorgaans tot stro uitgedroogde baaitabak zit. Erwin zelf gebruikt terecht liever een ‘oude zilveren tabaksdoos’.
Wat voor tabak zou daarin hebben gezeten? Geen ordinaire baai, zoveel is zeker. Ergens wordt gesproken van de zoete geur van Michaels tabak. ik heb zo’n vermoeden dat het hier om een milde vanillevariant gaat. Waarschijnlijk rookte de even eigengereide als charmante Michael de allemansvriend en kioskentabak MacBaren. Erwin rookt, daarin is Meijsing wél precies, zij het terloops, Cecile. Mooie, toepasselijke naam, behorend bij een mij onbekend merk. Pas bij het openslaan van Erwins echo vind ik er onverwacht meer informatie over, en tref dan tegelijkertijd tóch de typische romantisch-decadente namedropping waarnaar ik op zoek was geweest, en die ik in de trilogie vergeefs had gezocht. 'Cecile' blijkt een verbastering van Cecil:
‘De gordijnen waaien naar binnen de kamer in en daarmee de geuren, tuingeluiden, als ik een pijp stop. Ik geloof niet dat iemand wel eens weloverwogen het eerste wolkje rook van een vers aangestoken pijp (met Cecil, first class Wild Smoking Mixture van TAYLOR & CO) heeft geroken, dat zich kringelt tussen de reeds aanwezige geuren, zware luchten van platanen en praalgraven in juni.’ (Erwins echo, p. 51)
Als die tabak nog leverbaar is, ga ik hem aanstonds proberen.

De mooiste passage over pijproken, van het soort waarvan de liefhebber smult, en dat hij keer op keer herleest, in de onzinnige poging er een soort blijvend geluk uit te destilleren, vinden we in Michael van Mander, op pagina 255. Hier is Meijsing guller, en krijgt de pijp de persoonlijkheid toebedeeld die zij verdient, hier is ze meer dan een onverschillig stuk hout om tabak uit te roken.
‘Erwin gooide het dashboardkastje vol met zijn pijpen, Frans had een grote baskast op de achterbank gelegd waar hij zijn cassetterecorder op aansloot. De proefrit beviel hen zo uitstekend dat ze meteen doorreden de zuidelijke nacht in: Franse auto’s hebben gele koplampen.
 Frans moest Erwins pijpen stoppen en aansteken. Hij gaf elke pijp een eigen naam om ze te kunnen onderscheiden, want als Erwin een pijp wilde roken, wilde hij alleen de bepaalde pijp die hij in gedachten had: de korte dikke, de lange dikke en de smalle lange, de tapse etc.’
 Later in het boek krijgt de passage een mooie echo:
‘Hij viel uit tegen Frans met verwijten en bezwaren. Frans zei niets terug. Toen ze de Autostrada naar het Noorden opdraaiden haalde hij tabak tevoorschijn en vroeg neutraal welke pijp Erwin gestopt wilde hebben, de korte dikke, of de tapse.
Twintig uur later reden ze over de kilometers lange brug de stad tegemoet die als een vis uit de Lagune springt.’ (MvM, p. 308)

Een volgende keer bespreek ik het pijproken in het werk van de periode na Joyce & Co.

Jan-Paul van Spaendonck

zondag 9 januari 2011

Meijsing aan de pijp

Drie keer Geerten Meijsing in de beginjaren van Joyce & Co. Drie keer met de pijp in de mond. Sinds de dood van Mulisch is Meijsing de laatste vaderlandse auteur die zich graag als pijproker afficheert.




Aan de Puget Sound, 1973, bezig met de laatste verbeteringen van Erwin.





Voor het laatst in de jongenskamer. Erwin is ondertussen verschenen. Die affiche hadden Roberto en Jan-Paul ook in hun jongenskamer hangen.



Caviano 1975. Beer Sebastian is onafscheidelijk.