donderdag 19 augustus 2010


Geerten en Keith in Boekhandel Kooyker te Leiden omtrent 2004

zaterdag 14 augustus 2010

In memoriam : Kees Robert Jozef Kanger Snel - * 16 maart 1951 - † 18 juni 2010

En toen waren er nog maar vier... Wordt het Bob Evers Genootschap met uitsterving bedreigd? U weet dat het Genootschap geen leden kan toelaten die Willem Waterman niet persoonlijk gekend hebben. Daarom is het des te pijnlijker en met dieper smart dat het Bestuur van het Bob Evers Genootschap, dat tevens het Genootschapzelf vormt, kennis moet geven van het ontijdig maar vredig overlijden van het bestuurslid Kees Snel a.k.a. Keith Snell. Hij is nog geen zestig jaar oud geworden; diverse ziektes knaagden al langer aan hem, zodat hij zich niet vaak in het openbaar kon vertonen. Misschien heeft niemand van u hem ooit in levenden lijve gezien, maar hij was wel degelijk aanwezig bij de oprichting van het Genootschap op 6 december 1972, met het begraven van de luchtdichte koker met geheime inhoud in de bouwput onder het destijds verdwenen, en mede dankzij de inzet van het Genootschap later weer herrezen Noord-Zuid-Hollandsch Koffiehuis, alles gedocumenteerd met fotografieën.
Het curieuze aan de verschijning van bestuurslid en medeoprichter van het Genootschap was dat hij het meest aanwezig was door zijn afwezigheid: op bovenstaande oprichtingsfoto gaat hij bijna geheel verborgen achter de voor het graafwerk ingehuurde, communistische arbeider in overall.
Kees was een levenslange vriend van mij. Ritueel onderdeel van onze veelvuldige bijeenkomsten was het voorlezen uit de Bob Evers-boeken. Later kwam Frans Verpoorten jr. daar bij. Gedrieën zijn wij door Peter Muller en Coen van der Linden op het spoor gezet: waar konden wij de auteur van de Bob Evers-boeken, voor ons toen nog Willy van der Heide, vinden. Het was voor mij een godswonder dat Peter Muller, met wie ik op geheel andere wijze in contact ben gekomen, de auteur persoonlijk kende, en ons zelfs, via een Grundig Bandafspeelapparaat, liederen kon laten horen die door Willem Waterman, zoals de auteur voortaan door ons en door iedereen genoemd werd, werden gezongen. Willy van der Heide had voor ons een stem gekregen – een bulderende militaire stem die voor ons uit elke zin van de Bob Evers-boeken blijft opklinken. Peter en Coen waren al gauw te vinden voor de oprichting van het Genootschap - zo belangrijk en van onvergetelijke waarde achtten wij allen de Bob Evers-serie. Inmiddels is gebleken dat wij daar niet slecht aan gedaan hebben.
Jongens waren we, stoute jongens.
Kort voor zijn dood heeft Keith mij nog in Italië gebeld. We belden regelmatig. Bij die gelegenheid zei hij dat hij eigenlijk niet meer van zijn kamer af kwam. Ik was te argeloos om onheil te voorvoelen, want ook ik kom niet graag van mijn kamer af: „Alle narigheid van de wereld komt daaruit voort, dat de mensen niet gewoon in hun kamer blijven zitten,” heeft een wijs man gezegd, Thomas à Kempis. Keith is zijn kamer uit gedragen, voeten voorop.
Het leven is niet gemakkelijk voor hem geweest. Keith was hoogbegaafd, jeugdkampioen schaken en bezat een bizarre humor. Ik kan maar niet begrijpen dat hij zo plotseling gestorven is, want hij had nergens haast mee.
Willem Waterman heeft eens in een radio-interview met Pamela Koevoets gezegd: „Dit zijn de jongens van het Bob Evers Genootschap, eh, de vroegere Joyce & Co.” Dat was niet correct. Samen met Keith heb ik in 1968 Joyce & Co. opgericht, dat later als pseudoniem voor onze eerste boeken werd gebruikt. Met het BEG had dat niets te maken, al was er een overlapping.
Het is een groot verlies, maar ik weet dat hij altijd naast mij zal blijven staan, zoals hij mij zijn hele leven heeft gesteund. We hebben vooral veel plezier met elkaar gehad, in onze bizarre en idiosyncratische gesprekken. Ik denk dat die gesprekken gewoon door blijven gaan.

Frans Verpoorten jr. heeft tijdens de besloten begrafenis aan de Vergierdeweg in Haarlem-Noord de honneurs voor het Genootschap waargenomen.

Namens de Voorzitter Peter J. Muller, en de andere bestuursleden van het Genootschap: Coen van der Linden en Frans H.B.Verpoorten jr., die delen in de rouw,

zijn vriend: Geerten Meijsing


Uit: Bob Evers Nieuwsbrief nr. 35 juli 2010 - 17e jaargang nr. 2 (blz. 442-443)

dinsdag 10 augustus 2010

EEN ROMAN ZONDER IDEEËN SNIJDT GEEN HOUT

(Een interview met Geerten Maria Meijsing, 1986)

Met de verschijning van de roman Cecilia is het levenswerk van de schrijversfirma Joyce & Co volbracht. Voorafgegaan door de delen Erwin, 5 oktober 1972, en Michael van Mander, vormt Cecilia een trilogie over de vriendschap, de liefde en de kunst die volstrekt uniek is in de Nederlandse literatuur.
Het schrijverscollectief, hemelhoog geprezen en bitter verguisd, bejubeld en behoond, dat bestond uit Geerten Maria Meijsing en Keith Kanger Snell, is na het verschijnen van dit laatste deel opgeheven: het functioneerde niet meer. Terwijl Keith Snell onder de naam Kees wordt gesignaleerd in schaak/bridge-café Twee Klaveren, waar hij om kleine bedragen zit te schaken, te bridgen en te bonken, woont zijn ex-compaan al jaren in Lucca, waar hij, thans onder zijn eigen naam, verder gaat met een in ieder geval controversiële, en dus interessante schrijverscarriëre.
Wij meenden dat een interview in dit [romantisch-decadente] themanummer wel op zijn plaats zou zijn. Keith Snell had er geen zin in, Geerten Meijsing wel.

Joyce & Co bestond als duo, iets dat we wel kennen in de triviale literatuur, maar niet bepaald in de “serieuze”. Hoe functioneerde het duo in de praktijk?
Jarenlang hielden wij, Keith Kanger Snell en ik, één à tweewekelijks een lange dagzitting (ik herinner me nog dat zulks plaatsvond op de jongenskamer van Keith, en dat zijn moeder binnenkwam om ons thee te brengen en altijd, even steevast als het theetijdstip, opmerkte: “Het lijkt hier wel een opiumkit.”) die wij “werkklasje” noemden en zo vaak we konden, wanneer we ergens een huis konden lenen (enkele jaren lang “woonde” ik in huizen en villa’s waarop ik moest passen: plantjes water geven, klokken opwinden, boeven buitenhouden) “verlengde werkklasjes”. Op het gelukzalige tijdstip dat de andere mensen al naar hun college, school of werk waren getogen, kwamen wij bij elkaar en bespraken, in de meest genoeglijke omstandigheden, een achttal onderwerpen: 1. retorica; 2. mythologie; 3. literaire onderwerpen; 4. numerieken; 5. iconologie en emblematiek; 6. het schrijven (contemplatief); 7. het schrijven II (compositorisch); 8. diversen, waarvan we dubbele notitie maakten in een werkschriftje volgens een van het Vaticaan geleend systeem, de acta relata en de ad acta. We stelden gedragsregels op voor het onderzoek, bijvoorbeeld over controleren van verwijzingen, niet uit de tweede hand citeren, etc., die nog steeds hun waarde behouden. Academisch als deze werkwijze mag klinken, voor ons was zij buitengewoon spannend en genoeglijk. Zodra we het ons konden veroorloven, vestigden we ons in Italië en hadden dus in het vervolg één aangehouden werkklasje, waarin het boekenbezit en de kaartenbakken eindelijk bijeen gevoegd konden worden, ieder zijn eigen bureau en typmachine, zijn eigen leunstoel (want het meeste werk werd, net als in Le culte du moi van Barrès, in de leunstoel gedaan). We hadden de ongelofelijke luxe verstandelijk volledig op elkaar aan te sluiten; in feite beschouwde ik Keith als een geniaal verlengstuk van mijn eigen verstand: hij was het ideale klankbord. In al die jaren hebben we over intellectuele zaken nooit onenigheid gehad; onze meningen stonden niet tegenover elkaar in vruchteloos dispuut, maar lieten zich stapelen en opmetselen als bakstenen in een hecht en mooi metselverband. Ik werd waanzinnig gestimuleerd door mijn partner. In nachtenlange, toonloze monologen ontwikkelde ik mijn schema’s en theorieën; hij luisterde, en wist de volgende dag de saillante punten terug te vinden die ik dan weer vergeten was. En, natuurlijk, steunden we elkaar op de zeer eenzame weg die we gekozen hadden. En dat bleek steeds meer nodig. “Wie ben jij dat je denkt de weelde van dit meesterwerk alleen in een vacuum te kunnen dragen?” vroeg Keith mij eens na de verschijning van Erwin. Met de teleurstelling van de jaren werd er meer tijd besteed aan hopeloze analyses van de lauwe receptie van ons werk. Iedereen die alleen werkt weet hoe moeilijk het is om een bepaalde werkdiscipline op te bouwen. Wij waren streng voor elkaar, en legden elkaar die discipline op, in een soort factory van gebundelde geestkracht. Samen vormden we een schrijverschap. Het was een heel goede tijd, en na het wegvallen van mijn compagnon voelde ik mij geestelijk verarmd, en voel ik de grote last van de werken alleen des te zwaarder op mijn schouders drukken, zonder het genoegen van de wederzijdse waardering die dat werk zo spannend en de moeite waard maakte.

U hebt uzelf geafficheerd als Romantisch-decadent Classicisme. Wat is dat?
Het beste van de twee tegengestelde stromingen bijeen en behouden in een unieke en zeer spanningsvolle want paradoxale wisselwerking.

U heeft de romantische maskerade vrij snel opgegeven. Had u er genoeg van?
Ik heb nooit een maskerade opgevoerd en heb ook nooit een masker dat ik niet had laten vallen. Mijn eigen persoonlijkheid is hoogstens een promotiemasker voor de werkelijke persoonlijkheid die in de boeken ligt besloten.

De drie delen van de trilogie graven diep in de theorie van telkens een andere kunstvorm. Vaak bekruipt ons bij lezing van uw werk het gevoel dat u eigenlijk liever essayist zou zijn. Of vindt u deze vorm, die van de ideeënroman toch de ideale?
Wat is nou een essayist? Wel zou ik me graag op wetenschappelijk niveau met de klassieke filologie bezighouden, vooral inzake retorica en numerieken. Ik doe dat nu ook, maar heb nauwelijks de middelen om daaraan veel tijd te besteden en de uitgave van zulke projecten zal in Nederland ook niet haalbaar zijn. Maar al jaren ben ik bezig aan een groot boek On the Meaning and the Making of a Number Composition, waarin van alles overhoop gehaald wordt.
Anderzijds heb ik inderdaad grote voorliefde voor het genre van de ideeënroman. Een roman zonder ideeën snijdt geen hout, Ik noemde Barrès al; ik zou als voorbeelden ook Ludwig Tieck, Franz Sternbalds Wanderungen kunnen noemen, waarin discussies over de schilderkunst, of Thomas Mann, Doctor Faustus, idem over muziek.

U hebt Nederland verruild voor Italië. Hoe bent u daartoe gekomen?
In de eerste plaats uit financiële overwegingen. Een weldoener bood een huis aan in Firenze. Daar is niets van gekomen. Toen hebben we dit huis gevonden en hebben we ons daarin vastgebeten. Zeven jaar kater blijkt alles hier vele malen duurder te zijn dan in Holland.
Maar deze voorstelling van zaken is niet helemaal eerlijk; al sinds mijn vijfde jaar ging ik elk jaar een maand naar Italië. Mijn ontsnappingen van de middelbare school gingen naar Italië. In Holland hield ik me schuil; zodra ik wat geld had, reisde ik weer naar Italië, door Calabrië, verbleef jarenlang ‘s winters in Bellagio en heb uiteindelijk besloten dat het beter was om helemaal niet terug te gaan.
Die definitieve sprong had ook nog een andere aanleiding: de vrouw op wie ik al jarenlang verliefd was en met wie ik een verhouding had, ging trouwen. Ik maakte mij uit de voeten. Een negental maanden later voegde ze zich bij me in mijn ballingsoord. Vanuit dat oogpunt was die hele expeditie (die enorm veel voeten in aarde heeft met documenten en formulieren) geslaagd.
In Italië kroop ik in een nieuwe huid. Ik voelde mijn persoonlijkheid veranderen. En ik voelde mij bevrijd van de bekrompen atmosfeer in het literaire wereldje waarin elke kritiek en boekenbijlage voor mij een belediging was. Als ik al alleen stond, dan liever als balling ver weg.

Italië is in. Hoe voelt het aan om op het gebied van de Italíë-hausse tot de avant-garde te hebben gehoord?
Het schijnt zo te zijn. Geen mening. (Misschien toch dit: het is voor de kunstenaar altijd imperatief geweest om zijn opleiding in Italië te besluiten; dat is dus niets nieuws.) (Pas van een afstand kan ik met zekere nostalgie, de schoonheid van Holland zien, door Italiaanse bril als het ware. Mijn beschrijvingen van Italië zijn vaak gemaakt als ik er niet was en verteerd door heimwee enkele maanden in Holland moest zijn.)

Het ligt in de bedoeling om een [volgend nummer van] Faun over Edgar Allen Poe te maken. We weten dat u hem zeer bewondert. Waarom?
Zie de dialoog in Erwin. Een bestudering van de eerste zinnen van de verhalen levert al genoeg stof tot bewondering en lering. Vroeger kende ik ze allemaal uit mijn hoofd. Nu herinner ik me met name de eerste zinnen van The Oval Portrait en van Usher. Het zijn niet zozeer de onderwerpen van Poe die me interesseren, al wel zijn sublieme en superieure techniek en de technische opvattingen van zijn handwerk. Zijn leven was trouwens ook een hoogromantisch kunstwerkje.

Wat zijn de toekomstplannen?
Heb net het eerste deel van een dubbeldekker voltooid: Varium et mutabile semper. Eerste deel heet Varium et mutabile en het tweede Semper. Het eerste deel is ook een anatomie van de melancholie. De Don Giovanni-Tristan-tegenstelling wordt in deze twee boeken verder uitgewerkt.

Interview verschenen in Faun nr. 9, Oktober 1986

zaterdag 7 augustus 2010

O'42

Het slothoofdstuk van Malocchio. Erik Provenier loopt voor een laatste keer door zijn huis:

“Nog één kamer en we zijn klaar: mijn studeerkamer. […] Van wat er aan de muur gehangen had weet ik alleen nog […] een poster voor een optreden van mij in O42 te Nijmegen, waarop Laura met de hand een afspraak had bedongen” (p. 264).

Genoemde poster, hiernaast afgebeeld, vormt een trait d'union met een eerder album in ‘De avonturen van Provenier’, De grachtengordel. Op de laatste pagina’s van dat boek staat het bewuste optreden beschreven:

“Als een laatste concessie aan zijn uitgever had hij nog toegestemd in een optreden te O'42 in Nijmegen. […] Maar deze avond verliep alles voortreffelijk, toen hij zich eindelijk voor het voetlicht had laten tronen: er was een intelligente gespreksleider die doorkneed was in zijn werk, zelf was hij buitengewoon op dreef nu hij niets meer te winnen of te verliezen had - nog nooit had hij zo'n volle, enthousiaste zaal gehad. Nijmegen had prettig publiek; in deze zelfde zaal had hij een keer een voortreffelijk concert van het Lauweren 4-tet bijgewoond. […] Iemand was blijven zitten in het midden tussen de verder verlaten stoelen, hij zag alleen haar silhouet. […] Zij had op hem zitten wachten; zij was naar hem komen kijken, zoals hij ooit naar haar was komen kijken, helemaal in Nijmegen, in dezelfde zaal: omarmend rijm. Het wàs Laura” (pp. 346-347).

O42, inmiddels al zo’n tien jaar ter ziele, was in Nijmegen een podium voor onder andere muziek, theater en gesproken woord. Het Nijmeegse Literair Café organiseerde er in de jaren tachtig vrijwel elke maand een avond rond een schrijver, dichter of vertaler. GM had al in april 1988 toegezegd op 21 mei te zullen komen en hield woord – ondanks de hem kort daarvoor toegekende AKO-prijs. Het was inderdaad een memorabele avond, voor de schrijver niet minder dan voor de interviewer.

Jack van der Weide

dinsdag 3 augustus 2010

Rede voor Keith

De afgelopen nacht heb ik de dodenwacht betrokken bij mijn vriend. Fles whisky, sigaren en herinneringen. Tot aan het morgengrauw. Meer in de trant van Keith zou zijn geweest: hard gekookte eieren, zwarte koffie en een nachtelijke bokswedstrijd op de verrekijk.
Er zijn ons weinige minuten gegund voor een afscheidswoord. Daar kan ik het onmogelijk bij laten. Zo lang ik leef en nog kan schrijven, zal Keith zijn opwachting maken. In ons laatste telefoongesprek,

amper twee weken geleden, zei Keith dat hij De ongeschreven leer nog eens gelezen had, en dat het hem weerom bevallen was. In dat boek is een fictieve Keith overigens de verteller. Mijn dochter moest mij achteraf uitleggen waarom hij mij gebeld had en waarom hij had gezegd wat hij had gezegd. En toen ik dat begreep, moest ik huilen. Zij was erg op hem gesteld: voor haar onbegrijpelijke uitdrukkingen als sjiek de friebel, drieletterwoord met peren, of mooi artillerieweertje waren gevleugelde woorden geworden. Ook spraken wij wel van Keith Snell-schoenen.
Ik kende Keith vanaf de tweede klas middelbare school, het onfortuinlijke Triniteitslyceum, dat nu verdwenen is. Hoe wij elkaar gevonden hebben, is onduidelijk: het had iets te maken met een gedeelde belangstelling voor Stephen Hero van James Joyce, waarin soortgelijke gesprekken zijn opgetekend als wij met elkander voerden, en voor moderne jazzmuziek: met name Unit Structures van Cecil Taylor, en de muziek van Ornette Coleman. Nu al het andere onbelangrijk is geworden, kunnen wij nog steeds over onze muziek spreken. Elke noot daarvan kennen we uit ons hoofd.
In de derde klas van het gymnasium werden wij door de schoolleiding der Paters Augustijnen, die de opstand al zagen aankomen, gebombardeerd tot voorzitter respectievelijk partijsecretaris van een nieuw op te richten schoolparlement. Bij de eerste, roerige bijeenkomst van dat parlement werd een motie van wantrouwen tegen ons ingediend. Het heeft de opstand en ontzuiling niet kunnen tegenhouden.
Ondertussen waren de gesprekken tussen Keith en mij ‘geïnstitutionaliseerd’ tot wat wij later ‘werkklasjes’ zouden noemen; we brachten elkaar schriftelijk verslag uit van wat we gelezen hadden, en er ontstond langzamerhand een canon van onderwerpen die we wilden bestuderen. Ik weet nog dat hij kwam aandragen met De Wijsbegeerte der wiskunde uit 1944 van Evert Willem Beth (‘er bestaat geen systeem waarin alle waarden w zijn, waarvan niet één waarde w buiten dat systeem valt’), en ik met La scienza nuova (in het Duits) van Giambattisto Vico uit 1744 (‘omdat in de donkere nacht der tijden alle ideeën slechts in poëzie uitgedrukt konden worden’). Ik weet niet of we er alles, veel of weinig van begrepen, maar ik weet wel dat Kees, net als de andere kinderen Snel, briljant was, ook al moest hij thuis voor zijn moeder elke dag de aardappelen schillen, veel aardappelen, want het was een groot gezin, en dun schillen, want het waren zware tijden. Nog nooit heb ik één keer met schaken van hem kunnen winnen. Keith was jeugdkampioen voor Noord-Holland, bijna grootmeester. Zijn broer had econometrie gestudeerd, wat als een van de moeilijkste studies geldt, en hij ging dat ook studeren. Het huis lag langs de randweg, boven Swart’s Witte Pompen. Vaker zat Keith op mijn kamer. En nog vaker kwam hij niet opdagen voor een afspraak, of zegde hij op het laatste moment af, ‘omdat alle telefooncellen in de wijde omtrek weer op originele wijze onklaar gemaakt waren.’
Waarom we dat deden was onduidelijk – niet speciaal met het doel om te gaan schrijven. Eerder uit ongeduld en leergierigheid: wij konden onszelf wel sneller en beter onderwijzen dan de Paters Augustijnen. Leren was ons vermaak. Aan de andere mensen hadden we geen aanspraak.
Want vooral Keith had veel humor, en we hadden altijd iets om over te lachen. ’t Is vreemd om te zeggen, want ik heb ook andere vrienden gekend, maar er was nooit onenigheid tussen ons; we waren het altijd eens en onze ideeën sloten pasklaar op elkaar aan.
Samen hebben we gedurende vier uur Cecil Taylor geïnterviewd op een Rotterdamse hotelkamer, en drie kwartier William Burroughs, van wie we samen Naked Lunch vertaald hadden, vooral omdat we de humor inzagen van dat boek. Nog jaren later zijn we hoofdstukken uit dat boek aan elkaar blijven voorlezen, gierend van de lach. Onze vertaling was natuurlijk beter dan het origineel. We hielden er speciale rituelen op na, voor verjaardagen, maar ook voor elk werkklasje, waarvan voorlezen, ook uit de Bob Evers boeken, een even belangrijk element was als stokbrood met sardientjes en de waterglazen tot aan de rand gevuld met whisky die Moeder Snel voor limonade aanzag.
Misschien zijn onze mooiste perioden die geweest waarin we samen op de Villa Giulia mochten passen, in Heemstede – een doorlopend werkklasje, tijdens welk Keith veel ziek was maar waarin we ook samen Un Singe en Hiver hebben gezien – waaruit de term ‘mooi artillerieweertje stamt – en ons grootste avontuur: de definitieve verhuizing naar Lucca. Keith stond erop een goede schemerlamp mee te nemen, uit de Tweede Utrechtse Dwarsstraat. Nog nooit hebben we het zo koud gehad als in Toscane zonder kachel. We kochten speciale slaaptruien. Keith noteerde alle uitgaven, benzinekosten en kilometerstanden in een schriftje. Veel inkomsten waren er niet.
Ik heb maar drie minuten spreektijd, en plotseling geraakte ook alles in een stroomversnelling, en Keith en ik waren niet meer altijd samen. Natuurlijk had ik al gemerkt dat Keith sociaal niet erg handig was, maar had ik toen geweten wat ik nu weet over mentale stoornissen, dan waren mij de ogen al eerder open gegaan.
Hij verhuisde naar Florence, ik ging na een tijdje weer terug naar Nederland, Kees kwam ook weer naar Nederland, woonde eerst een tijdje bij ons in de Wilhelminastraat, en is toen verhuisd naar de Oudezijds Kolk in Amsterdam, een doodenge buurt. Niet veel later heb ik hem naar Leiden verhuisd, in het appartement waar hij tot het einde heeft gewoond, terwijl ik lang en breed alweer in Italië zat. Maar we hielden contact. Hij kwam bij mij eten als ik eventjes in Amsterdam was, hij las mijn boeken, en prees zichzelf gelukkig dat hij van dat ‘hondenbestaan’ verlost was, we draaiden dezelfde platen van vroeger, hij belde mij geregeld op in Italië, altijd met een warme belangstelling en vol sympathie.
Dat vind ik eigenlijk zijn belangrijkste karaktertrek: de warme, belangeloze sympathie, ook voor mijn stiefdochter en mijn dochter. Bovendien had Kees een goede kijk op vrouwen, waar hij zichzelf liever niet aan waagde (misschien door al die zussen), want hij keurde al mijn vriendinnetjes af; terecht, zoals telkens later bleek.
Natuurlijk had ik door, dat hij al in de dop geknakt was door een lelijke ziekte, die hij altijd voor mij verborgen heeft gehouden, totdat ook ik achter de tralies van een PAAZ belandde.
Ik zag natuurlijk wel hoe snel hij lichamelijk verouderde, maar heb er nooit idee van gehad dat hij zichzelf zo verwaarloosde. Niet als een martelaar voor de bohème; hij was tevreden met zijn leven op de nultrap, zoals hij nooit naliet te vertellen – een filosofisch standpunt.
Wat is het leven snel gegaan! Wat is zijn leven snel-snel opgebrand, ook al heeft hij het vuur zelf nooit hoog gestookt.
Ik weet nog niet hoezeer ik hem zal missen, maar ik weet wel dat ik hem, zoals vroeger, altijd naast mij zal voelen staan, schouder tegen schouder.
Er zal nog veel over hem geschreven worden, en niet alleen door mij.
Mijn vriend, mijn mede-firmant en inspirator.
Adieu, mijn vriend, houd goede vaart – we hebben het niet slecht gehad als scheepsjongens op het dronken schip van poëzie en wijsbegeerte.


(Geschreven door Geerten Meijsing, uitgesproken tijdens de begrafenis van Kees Snel door Taco de Kort. Foto copyright Frans Verpoorten)

zondag 1 augustus 2010

PRIMAVERA

'... In Wildschut worden onze bange twijfels gelogenstraft doordat Meijsing een entree maakt, geheel in overeenstemming met zijn zelfgeschapen mythe: om tien over half negen parkeert een glanzend rode Snoek feilloos op de enige open plaats vlak voor het café, en een man in trenchcoat met pijp en koffertje stapt uit.
Zo zitten we even later naast de schrijver die van beslissende invloed was op smaak en levenshouding van onze adolescentie. Geerten Meijsing blijkt een soave, beschaafde en vriendelijke jongeman te zijn, geheel gespeend van de norse arrogantie en misanthropie waarmee hij zich in zijn letteren graag omkleedt.
We bespreken literatuur en muziek, drinken Vieuxtemps (door mij zonder bijbedoeling [sic!] voorgesteld) en kunnen het heel best vinden. Zo goed zelfs dat hij mijn voorstel om bij ons thuis nog grappa te drinken aanneemt en tot twee uur in toenemende losheid en vriendschappelijkheid met ons verkeert.'

Geerten herinnert zich die eerste ontmoeting, in de lente van 1988, trouwens heel anders. Hij mailde me onlangs:

[...] Die rode DS, ach ja, wat was ik toen gelukkig! Daarin heeft Laura aan het stuur gezeten terwijl ik aan haar zat, in Toscane, met de kleine Zelda ben ik daarmee naar het geboortehuis van Giorgio gereden, de hoofdpersoon uit 'Levende Bezems'; het was de auto waarin ik met A. was - hoewel zij meer geassocieerd wordt met de bladgroene CX Pallas.

Overigens vond ik jullie maar rare vogels bij die eerste ontmoeting - bewonderaars doen het nooit erg goed bij de bewonderde. Maar dat blaadje 'Faun' (ik heb ze nog steeds, terwijl ik alle andere tijdschriften, ook met stukken van mijn hand, allang heb weggemieterd) maakte indruk op me. Sympathie voor jou is pas later gekomen, zeg maar in de tijd van mijn eerste grote val.'

(Uit: Dorst, door Jan-Paul van Spaendonck, ongepubliceerd)

Geerten Meijsing aan het werk