woensdag 29 juni 2011

ADA

Siciliaanse Vespers, blz. 248 :

“’Weet je: alle gelukkige families lijken min of meer op elkaar, maar elke ongelukkige familie is ongelukkig op zijn eigen wijze,’ zei ik om het citaat van Nabokov weer tot het origineel van Tolstoi terug te brengen”.

Het citaat van Nabokov betreft de beginzin van diens roman Ada or Ardor: A Family Chronicle (kortweg Ada) uit 1969:

“All happy families are more or less dissimilar; all unhappy ones are more or less alike,’ says a great Russian writer in the beginning of a famous novel (Anna Arkadievitch Karenina […]).”

Nabokovs Tolstoi-citaat is inderdaad een bewuste omkering van de beginzin van Anna Karenina (1877): “All happy families resemble one another, each unhappy family is unhappy in its own way”. Omkeringen, spiegelingen en vervormingen in alle soorten en maten zijn schering en inslag in Ada, en de beginzin zet meteen de toon. Een samenvatting van de inhoud zal ik op deze plaats overslaan. Belangrijkste gegeven van de roman: de liefde tussen Van Veen en, naar zal blijken, zijn zuster Ada.

Ada is een vroege liefde van Geerten Meijsing. In ‘De tijd, de namen en de dingen I’ uit 1971 is de roman het op een na favoriete boek van Erwin Garden uit de moderne literatuur: “Niets in de wereldliteratuur, behalve misschien de herinneringen van graaf Tolstoi, kan wedijveren in pure vreugde en Arcadische onschuld met het Ardis-gedeelte van het boek” (Erwins echo, blz. 72) – een letterlijke vertaling  van een passage uit een van de laatste pagina’s van Nabokovs roman, die eindigt in zijn eigen blurb. Even verderop wordt, iets minder letterlijk, gealludeerd naar de allerlaatste zin van het boek met daarin een opsomming van een aantal details uit het verhaal, eindigend met “and much, much more”. Bij Joyce & Co wordt dit:

“langzaam uit het geheugen verdwijnende gebaren en hun betekenis, voetstappen van nymfetten in het gras, het hoofd omhoog zodat het haar naar achteren viel, een mond vochtig van de mist of van een kop thee. En nog veel, veel meer” (Erwins echo, blz. 72-73).

De aantrekkingskracht van Ada voor Meijsing, en speciaal voor ‘De tijd, de namen en de dingen’, ligt enerzijds in de driehoeksverhouding van Van en Ada en hun halfzusje Lucette, en anderzijds in de rol van de herinnering. Erwin Garden noemt Van “mijn alter ego” en hij trekt een parallel tussen Nabokovs personages en het trio Erwin, Michael en Martha. In zijn aantekeningen voor het verhaal noemt Meijsing onder het kopje ‘ingrediënten/materialen’ onder andere “Eden: la terre promise Cf. Ada en Van Veen”.


Daarnaast zijn zowel Ada als de andere twee door Erwin genoemde romans (Rayuela van Julio Cortazar en Tunc van Lawrence Durrell) boeken die zich bij uitstek bezighouden met de herinnering, en dan met name met alternatieve wijzen van herinneren en het terughalen van/vormgeven aan het verleden. Dit past bij een andere aantekening, onder het kopje ‘themaas’: “de herinnering à de memory schiet te kort”.


Nabokov en Ada keren terug in Erwin. In het lijstje met driehoeksverhouding op blz. 37 staan ook “Ada en Van en Lucette”; de lijst met lievelingsschrijvers op de volgende pagina bevat “VLADIMIR NABOKOV”. Toch is Erwin Garden niet meer zo complimenteus over Nabokov als enige jaren daarvoor. In het hoofdstuk over de moderne literatuur (in de brede zin des woords) merkt Erwin op: “Over de enige schrijver die nog leefde […] , VLADIMIR NABOKOV, was ik niet zo zeker” (blz. 269). Wel geeft hij toe dat Nabokovs protagonisten hem altijd deden denken

“aan de wereld waarin zich mijn liefde had afgespeeld: langzaam uit het geheugen verdwijnende gebaren en hun betekenis, voetstappen van nymphetten in het gras, het hoofd omhoog zodat het haar naar achteren viel, een mond vochtig van de mist of van een kop thee.”

Na Erwin verdwijnt Ada uit zicht, net als zovele andere literaire voorkeuren van Erwin Garden. Dat er weer naar de Nabokovs roman wordt verwezen in Siciliaanse Vespers is niet verrassend – dat boek is, zoals ik al eerder op dit blog heb betoogd, onder meer een reis door de boekenkast van de schrijver. Intrigerender vond ik een indirecte verwijzing in Dood meisje, die mogelijk laat zien dat Ada nog steeds in Meijsings achterhoofd zit. Het gaat om het hoofdstuk ‘Nachtwegen I’, dat bestaat uit een aantal lezingen, colleges of monologen van Hovenier over dromen en zijn ontsnapping uit Tübingen. Toen ik dit hoofdstuk las was mijn onmiddellijke associatie: Ada, deel 2, hoofdstuk 4.

In dat hoofdstuk houdt Van Veen, zonder dat dit wordt aangegeven of ingeleid, een college over dromen, beginnend met de zin “What are dreams?” Dat het om een college gaat blijkt tegen het einde van het hoofdstuk, als tussen het betoog van Van opmerkingen worden ingevoegd als “(grating sound of horizontal strokes)” en, aan het slot, “(laughter and applause)”. Er zijn geen directe tekstuele overeenkomsten met ‘Nachtwegen I’, maar in beide gevallen gaat het wel om een hoofdstuk waarin de vertelinstantie afwijkt van die in het grootste deel van het boek. Door een vergelijkbaar onderwerp – dromen – krijgt die afwijking in het geval van Meijsing meer nadruk wanneer de lezer Ada kent. Gevolg is dat de gecompliceerde vertelstructuur van Dood meisje als geheel geplaatst wordt naast de gecompliceerde vertelstructuur van Ada, waardoor inzicht in de uitgebreid becommentarieerde en geanalyseerde roman van Nabokov kan helpen bij het doorgronden van de roman van Meijsing. Wellicht een ideetje voor een doctoraalscriptie?

Jack van der Weide

zondag 19 juni 2011

18 juni 2010/2011

Tegen het einde van de middag begint het stevig te waaien. De dansende boomkruinen voor mijn raam boven de tramrails mogen een waarschuwing heten. De lucht wordt alle kanten opgezogen. Waar komt die vandaan, de wind?
  Gisteravond laat moest ik op een verlaten perron te Duivendrecht een half uur wachten op mijn boemeltje naar Station Amstel, gevolg van een verkeerd ingeschatte thuisverbinding.  (Nog even afgezien van het gevolg van het feit dat mijn Prestiges aan de grond staan, anders had ik mij nooit in de hel van het Openbaar Vervoer begeven. Die auto’s namelijk, voor de niet-ingewijden, zakken bij iets langere stilstand tot op de grond, totdat het landingsgestel helemaal is ingeklapt.)
  De stationsklokken gaan met de grote wijzers, wanneer de secondewijzer helemaal rond is, met een rukje een minuut verder. Godzijdank klinkt er geen zachte bezwerende muziek uit de stations luidsprekers. Ik zag één KLM stewardess voorbij komen met een klein rolkoffertje, en misschien twee escortmeisjes, met eenzelfde rolkoffertje. Allemaal haastten ze zich met klikkende hakken naar de andere kant van het perron, waar een metro aanlegt en afvaart, met dezelfde soort piepsignalen als GSM-telefoontjes afgeven. Overigens was het daar doodstil, dat halve uur, in de nacht.
  Vier keer werd, zonder waarschuwing, de lucht aan stukken gescheurd door een passerende sneltrein op volle snelheid: twee Nederlandse high speeds, een wonderschone Duitse Rijnpijl en een Thalys, die ongetwijfeld terugkwam van Avignon. Die treinen reden vrij geruisloos, maar ze veroorzaakten elke keer een enorme windhoos, waardoor ik mij bijna vast moest klemmen aan de reling, nee, ik klampte mij na de tweede trein daadwerkelijk vast.
  Want ik zag hun lichten vanuit de verte naderbij snellen, in de suizende stilte. Hoe gemakkelijk was het niet geweest: een, twee stappen, en ik was in één keer van alle, aanhoudende ellende verlost. Vier gemiste kansen voor een supersnelle dood. Ik ging zelfs zo ver, in mijn verbeelding, aan de einddatum te denken van mijn grafschrift.
  Pas toen werd mij de gruwelijke waarheid geopenbaard: het was de dag voorafgaand aan de sterfdatum van ‘mijn eeuwige schaduw’, om een oude boektitel van Paul de Wispelaere te misbruiken.
  ‘Jonge leeuw onder de volken, tot zwijgen zijt gij gebracht! Gij waart als een zeemonster: in uw stromen liet gij het borrelen, met uw poten bracht gij het water in beroering en deedt zijn stromen troebel worden. 3  Zo zegt Adonai de Eeuwige: Mijn vangnet spreid Ik over u uit door een menigte van vele volken. Zij halen u op in mijn net! 4  Ter aarde werp Ik u neer, slinger u weg op het open veld. Al het gevogelte des hemels doe Ik op u neerstrijken, de dieren van heel de aarde zich aan u verzadigen. 5  Uw vlees leg Ik op de bergen, de dalen vul Ik met uw afval. 6  Ik drenk het land met uw lijkvocht, met uw bloed, tot aan de bergen toe; de beekbeddingen worden door u gevuld. 7  Wanneer Ik u uitblus, befloers Ik de hemel en verduister Ik de sterren, de zon overdek Ik met wolken, en de maan doet haar licht niet schijnen. 8  Al de stralende lichten aan de hemel verduister Ik om uwentwil: duisternis breng Ik over uw land; luidt het woord van Adonai de Eeuwige.’
 

 Morgen zou het een jaar geleden zijn dat Keith Snell was overleden, en de tegenstelling van zo’n gemakkelijke dood in een, twee stappen met de langzame lijdensweg die mijn compaan zichzelf disciplinair had opgelegd, maakte dat ik mij schaamde, zelfs laf voelde. Goed, ook van mij was niks geworden, krank in de kop misschien net als mijn vriend, maar ik was er nog om de verjaardag van zijn dood te gedenken. Ik kon er bij voorbeeld een klein stukje over schrijven.
  ‘Een klaaglied is dit: men moet het zingen; de dochters der volken moeten het zingen; over Europa en over heel zijn menigte moeten zij het zingen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige.’
  En morgen is inmiddels vandaag, of alweer gisteren. Het is pas gisteren dat ik Keith altijd aan mijn zijde wist; het is pas gisteren, een jaar geleden, dat hij mij ontvallen is; mij is voorgegaan – al wil ik geen onheil afroepen. Het onheil is alreeds geschied en wordt bij voortduring, soms met ongewenste traagheid, aan ons voltrokken.
  Beste jongen: je hebt me weer een keer behoed voor het allerergste.


 

Geerten Meijsing

dinsdag 14 juni 2011

25.000 HEADMEN

Op mijn eigen site, die nu uit de ether is maar daar nog ergens rondzweeft, heb ik in een decennium misschien 35.000 hits gehaald. Die werd dan ook door Achille van den Branden 'de lelijkste website die ik ooit gezien heb' genoemd. Het heeft me evenwel veel knutselwerk gekost, zodat ik er ten slotte maar van af zag. Boeken en elektronica hebben ten slotte niets met elkaar te maken, al worden ons veel leugens verteld over e-books en andere flauwekul. Ook vond ik het niet sjiek voor mijn eigen werk reclame te maken, want ik drijf geen winkel. De uitgeverij moet voor de verkoop zorgen, niet de auteur. Maar de plaatjes miste ik toch wel, die in elke huiskamer opgeroepen konden worden, net als de flauwe grappen die ik de internet-astronaut voorschotelde. Mensen die op internet zitten te koekeloeren lezen evenwel geen boeken.
Wie beschrijft mijn gelukzalige verbazing toen een jaar geleden een blog zichzelf op het net begon te ontrollen, geheel gewijd aan Joyce & Co. - een vereniging die ik nog altijd in mijn hart koester - en mijn schrijverschap. Het was 't mooiste verjaardagscadeau mij ooit te beurt gevallen, naast de oprichting van het genootschap Vrienden van de Vorm datzelfde jaar! En tegelijkertijd een grote troost om het gruwelijke verscheiden van Keith te verwerken.
Ik kende de onverlaten die dat initiatief genomen hadden wel: zij hebben zelf hun hele leven min of meer een soortgelijke vereniging gevoerd, gebaseerd op zielsverwantschap en een grote liefde voor de kunsten, eermaals tot uitdrukking gebracht in het voortreffelijke tijdschrift Faun. Inmiddels zijn Rob Eksteen en Jan-Paul van Spaendonck van bewonderaars op afstand goede vrienden geworden, en de bewondering is inmiddels wederkerig. En dit blog heeft op zijn beurt andere vrienden weten te maken: kijkt u maar naar de indrukwekkende links van de beste boekensites en -blogs. Niks geen reclame: het betreft hier serieuze deelstudies van en discussies over mijn oeuvre, lichtvoetig en diepzinnig tegelijk, en met de nodige humor. Tenslotte: 'What is the use of a book without pictures and conversation?'

Geerten Meijsing

woensdag 8 juni 2011

DOOD MEISJE


Op 16 april 2011 brachten Roman Graftdijk (de zoon van Thomas Graftdijk) en zijn Italiaanse vriendin een bezoek aan Geerten Meijsing. Roman had een auto gehuurd en wilde met de schrijver een tocht maken langs de plaatsen van diens jeugd. Meijsing stemde toe, maar stelde als voorwaarde dat ze, voor deze sentimental journey te maken,  eerst een bezoek zouden brengen aan twee begraafplaatsen: die van Keith en Layla Goldstein. Layla Goldstein was in de laatste jaren van de vorige eeuw de vriendin van Meijsing, en stond model voor het escortmeisje Lily, de protagoniste van Dood meisje. Op 'de Nieuwe Ooster' de Amsterdam vond Geerten het graf van Layla. Hij legde er witte rozen op en, naar Joods gebruik, een kiezelsteentje.

zaterdag 4 juni 2011

Kuifje (5)

Poging tot volledigheid: dacht ik dat ik alle Kuifje-verwijzingen uit Literair 2011 – een reis door mijn boekenkast had beschreven, blijkt dat toch niet het geval te zijn. Op maandag 23 mei vinden we een citaat uit de Yage Letters (1963) van William S. Burroughs, met daarin een verwijzing naar pisco: ‘(Pisco is de plaatselijke sterke drank. Blijkt vergif)’. Bij het woord ‘Pisco’ plaatst Meijsing een voetnoot: ‘Vergelijk ook De zonnetempel van Hergé, waar kapitein Haddock zegt, terwijl Kuifje ernstig bezorgd is om het lot van professor Zonnebloem: ‘Ha, deze pisco, deze pisco – het is de mooiste dag van mijn leven!’ Dit nadat de onbetrouwbare havenmeester van Lima bij hun nutteloze bezoek had gezegd: ‘Wees zo goed een glas van deze pisco met mij te drinken.’’


De Zonnetempel is geen Kuifje-album waarnaar in het werk van Meijsing (bij mijn weten) vaker wordt verwezen. Laten we deze passage dus koesteren.

Jack van der Weide

donderdag 26 mei 2011

INTERVIEW MET KLARA

Onlangs reisde Geerten Meijsing af naar Brussel voor een uitgebreid interview met de Belgische radio-omroep Klara. Anders dan bij ons bestaat er bij onze zuiderburen nog een serieuze belangstelling voor het werk van nog levende auteurs die niet meespelen in het mediacirkus dat de vercommercialiseerde boekenbranche heeft opgericht, waarbij de artistieke ballotagecommissie uit de boekhouder en de zakelijk directeur bestaat.

Het programma heet Berg en Dal en wordt a.s. zondag (29 mei) om 12.00 uitgezonden.

Op hun website heeft de omroep er het volgende over te melden:

'Pat Donnez praat in deze laatste Berg en Dal van het seizoen met auteur Geert Meijsing. 'Afgelopen week is het lichaam van de schrijver Geerten Meijsing door de politie opgegeven als vermist. Meijsing leed al geruime tijd aan een ernstige vorm van depressie. Hij is net geen vijfenvijftig geworden. Zelf stelde hij de uiterste leeftijd van het genie op zesendertig. Achteraf kunnen we hem gelijk geven: een genie is er uit hem nooit gegroeid, en ook voor het nageslacht zal er van de werken van de schrijver weinig bewaard blijven. Geamuseerd heeft hij dat publiek in ieder geval niet. Men zou kunnen zeggen dat dit een van die tragische schrijverslevens was van een schrijver zonder publiek.' Zo luidt het In Memoriam dat Geerten Meijsing voor zichzelf schreef. Hij lééft nog. Pat Donnez praat in deze laatste Berg en Dal van het seizoen met Meijsing over zijn bewogen leven en zijn werk.'

maandag 23 mei 2011

Bob en Eefje

Een meisjesleven, blz. 120-121 : ‘Een van deze efemere genootschappen waarvan Tony en Erik ook lid waren in een bestuursfunctie […] had een plechtigheid te verrichten op een braakveldje tegenover het Amsterdamse CS […]. Op rekening van de drukker van het sekstijdschrift hadden Tony en Erik jacquets met hoge hoeden gehuurd. Ikzelf had voor de plechtigheid een bont zwart jurkje met zwarte kousen aangetrokken. Tegen de sneeuw was dit hele gezelschap gewapend met zwarte paraplu’s. Er was een rondvaartboot afgehuurd, en aan boord werd veel gedronken. De plechtigheid zelf duurde heel kort en was zeer stemmig: er werden kelen geschraapt voor de microfoon, speeches uitgewisseld, beschaafd geapplaudisseerd, glazen geheven en tot slot werd er door een in overall gestoken dichter een herinnering begraven in de ten behoeve van het metrostation omgewoelde en bevroren aarde.’

De gebeurtenis die Eefje hier beschrijft is de oprichting van het Bob Evers Genootschap op woensdag 6 december 1972. Een paar jaar geleden gaf bestuursvoorzitter Peter J. Muller (voormalig uitgever van het door Eefje genoemde ‘sekstijdschrift’ Candy) het volgende retrospectieve verslag van de oprichting, in een toespraak ter gelegenheid van het vijfendertigjarig bestaan van het genootschap: ‘Maar ik dwaal af, en ik neem u weer aan de hand, terug in de tijd naar die druilerige woensdag in december 1972, aan het einde van de middag, waarop het voltallig in rokkostuum gestoken Bestuur, samen met een lichtelijk aangeschoten Willem W. Waterman, gekleed in legerjas en schipperspet, bijeenkwam in café „De Oude Wester” […] van waaruit wij dan per speciaal voor dit doel gecharterde rondvaartboot richtings CS voeren, waarna wij te voet, wadend door de modder, ons begaven naar de plek waar het Noord-Zuidhollands Koffiehuis had gestaan, om aldaar […] een metalen koker in de grond te begraven met daarin de statuten van het Genootschap alsmede persoonlijke documenten van de bestuursleden en van Willem zelf. De kuil werd gegraven door de in overall en kaplaarzen gestoken Jaap Verduijn van het Nieuwsblad van de Boekhandel en Uitgeverij’.

Tony Mascini en Erik Provenier zijn, zoals we inmiddels weten, de literaire pendanten van Frans Verpoorten jr. en Geerten Meijsing. Keith Snell, eveneens bestuurslid van het genootschap van het eerste uur, treedt in het Provenier-universum op als Kanger maar ontbreekt nog in Een meisjesleven en is dus ook afwezig in Eefjes verslag van de oprichtingsbijeenkomst. Dat hij daar wel degelijk bij was blijkt uit de foto’s die zijn opgenomen in de Bob Evers Nieuwsbrief nr. 30 van januari 2008, waarin ook de feestrede van Peter J. Muller staat waaruit ik zojuist citeerde. Een van deze foto’s is Joyce & Co-lezers welbekend: die op de veertiende pagina van het eerste fotokatern in Werkbrieven 1968-1981, foutief gedateerd als ‘6 december 1975’. Maar zie bij voorbeeld ook deze foto, genomen op de rondvaarboot:


v.l.n.r.: Peter J. Muller, Gerard Bernard (eigenaar van de kroeg P-83), Keith Snell, Willem van den Hout en de (toenmalige) vriendin van Frans Verpoorten jr.’

Jawel, daar zit ze in het hoekje van de foto: Eefje!

Jack van der Weide