zaterdag 16 juli 2011

Kaapstander

Uit Michael van Mander weten we dat de leden van het collectief Joyce & Co. uit zeer verschillende kringen kwamen. Ik geloof niet dat we de naam Keith en het woord "zeilboot" ooit in één zin zullen tegenkomen. Zeilboten, dat was iets tussen Geerten Meijsing en Mick Broekhof. De hele roman draait voor een groot deel om deze gedeelde passie.
Van Gerben Wynia ontvingen we de tip om eens te kijken op de homepage van de Nautische Jongeren Vereniging De Haven uit Heemstede, die op haar website onder andere het complete archief van het clubblad in pdf aanbiedt. De eerste negen nummers van dat clubblad heetten Kaapstander, en de redactie bestond onder anderen uit Geerten Meysing (sic) en Mickey Broekhof.
Deze negen nummers kunt u hier inzien.
Fascinerende lectuur: is dit het eerste gepubliceerde werk van Meijsing? En vanwaar de afwijkende spelling van Meijsings naam? Werpt het latere schrijverschap in dit clubblad reeds zijn schaduw vooruit?


maandag 11 juli 2011

FANTOOMGIDS

In de zomer van 1996 ging ik met mijn gezin op vakantie naar Toscane. We hadden een huis gehuurd in Vorno, een vlekje in de nabijheid van Lucca. Een van de redenen voor de keus van die plaats was mijn vriendschap met Geerten Meijsing. We zouden hem op gaan zoeken in Arsina, eveneens onder de rook van Lucca, en hij zou ons al die 'plaatsen, gebaren en gewoonten' (zoals Steinbeck schrijft) laten zien die het land tekenen.
Het liep anders. Wij vertrokken met een auto vol kinderen en bagage zuidwaarts, maar Geerten bleef in Amsterdam. De gebeurtenissen zoals die zijn beschreven in Tussen Mes en keel hadden hun verzadigingspunt bereikt en van Geertens repatriatie was na een verblijf in de PAAZ van het St. Lucas even geen sprake. Maar hij gaf ons zijn uitgebreide zegen mee. Een hele avond lang zong hij onder de gestage inname van grappa de lof van zijn woonplaats. De topografie tekende hij uit het hoofd voor ons op.
Eenmaal ter plaatse bleek een gids onontbeerlijk. De idyllische plekken die we met de kinderen moesten bezoeken bleken onvindbaar of dusdanig moeilijk bereikbaar dat we de moed opgaven nog voor we de onderneming goed en wel begonnen waren. Bij een telefoonpaal rechts de bush in gaan en vijfhonderd meter de kloof in zakken, op zoek naar een onzichtbaar kristalhelder poeltje, is voor stadsbewoners met kleine kinderen niet zo vanzelfsprekend. Ook het huis van Geerten, dat we bij afwezigheid van zijn bewoner dan maar als literair toerist besloten te bekijken, konden we niet vinden. Pas onlangs begreep ik dat dát niet aan ons lag: ook Geerten en Keith dwaalden de eerste keer doelloos rond voor ze het Casa Colonica konden vinden, zoals u heeft gelezen.
In Vorno hadden we het geweldig naar ons zin. En uit Amsterdam kwamen brieven waarin Geerten ons alsnog bij de hand nam en de streek door zijn ogen liet zien.
Uit de verzameling van onze brieven, die al jaren op de burelen van allerlei uitgeverijen rondslingert en wel nooit uitgegeven zal worden, citeer ik, speciaal voor u. Ikzelf word er om verschillende redenen erg weemoedig van. Praktische zaken, zoals: ‘Vergeet alsjeblieft niet om een doos met tien pakjes extra-vecchi voor me mee te nemen, à rembours’, laat ik weg. De datum is 5 juli 1996, de plaats – helaas – Amsterdam.

‘Kus voor mij het plaveisel van de stad, en neem een kiezelsteen mee uit de tuin op de muren waar je des avonds onder de bomen en tussen de vuurvliegjes (om het niet over de vrouwen te hebben, dressed to kill) een glas spumante gaat drinken.
 Luister naar het stromend water, naar de krekels en cicaden; laat de geuren van tijm en rozemarijn en basilicum op je inwerken (elke dag, bij de salade, ruimschoots basilicum gebruiken, goed voor de maag, en een geur in de keuken als een stilleven van een Portugees). Men eet laat in de avond, als het koeler begint te worden, reeds geheel donker is. Houd een siësta op het heetst van de dag met je mooie vrouw, voor lome liefde. (Geef haar mijn complimenten). Besproei de dochters en je zoon met de tuinslang. Laat je linkerarm uit het raam hangen als je langzaam door de hitte rijdt, en zie hoe mooi alles is; ga naar Bagni di Lucca, waar een geweldig zwembad is met heilzaam, fosforhoudend, water; dat was ik nog vergeten je te vertellen. Drink een aperitivo di casa in het Centro dei Forestieri aldaar en zie hoe mooi de platanen zijn, en hoe snel de rivier stroomt. Stel je voor dat Byron en Shelley daar rondliepen, en dan ’s avonds te paard, of per karos, naar Lerici reden aan de Golfo dei Poeti, waar je een bootje moet nemen naar Portovenere, om in de kerk het mooiste zelfmoorddeurtje te zien dat er is. Wij gingen ’s nachts zwemmen in alle vijf de haventjes van de Cinque Terre. Rijd de Garfagnana in, naar het Lago di Sotto, en kijk of het droogligt, met het verdronken dorp waarvan alleen de kerktoren nog boven de golven uitsteekt. Stel je voor dat ik, in overlappende lagen van herinnering, op al die plaatsen gelukkig ben geweest, met Keith, met Hetty, met Laura, met Iris, met Aminta. Dit weekeinde ga ik met Laura naar de bioscoop – moet ik haar knie streken in het donker?’
 ‘Jan-Paul, kijk bij de kiosken naar goedkope aanbiedingen van opera’s en zangkunst en ook vidéo’s, alles is voorradig voor tien of twintigduizend lire. (Totó is erg leuk, ook voor de kinderen). Koop voor Marjolein het blad Anna, waar altijd cadeaux bij zitten, en probeer voor jezelf eens een avontuur van Dylan Dog. Toscaans brood is zonder zout (zelfs Adri weet dat), maar op de Piazza Santa Maria is een panetteria waar ze prima brood verkopen, casalinga of casareccio. Geef de kinderen dagelijks een stricia di focaccia, en één keer in de week een coppa di frutte di bosco op de Piazza dei Mercanti in de Via Fillungo, het enige terras waarop je je kunt vertonen. De dikke baas, de oude Nuti, kent mij goed en is altijd bereid tot een praatje in een van de wereldtalen. Daarna kun je om half tien naar de openluchtbioscoop, waar je, door de filmdecors heen, de orologio kunt horen slaan in de blauwe nachtlucht. Als je bier wilt drinken (en probeer dat op het plein van Pietrasanta), bestel dan Warsteiner, werkelijk voortreffelijker dan Peroni of Heineken.
 Laat het licht, de nacht, de geluiden, de geuren, de vergezichten, het water, de kaas en de wijn in je dringen, geef je er aan over.
 Hé Jan-Paul, zo kan ie wel weer, denk je niet? Ik blijf je schrijven. Don’t bother to write me, want je bent op/met vakantie. Rucola groeit gewoon tussen het gras.

In vriendschap,

Geerten Meijsing.’

Jan-Paul van Spaendonck

woensdag 29 juni 2011

ADA

Siciliaanse Vespers, blz. 248 :

“’Weet je: alle gelukkige families lijken min of meer op elkaar, maar elke ongelukkige familie is ongelukkig op zijn eigen wijze,’ zei ik om het citaat van Nabokov weer tot het origineel van Tolstoi terug te brengen”.

Het citaat van Nabokov betreft de beginzin van diens roman Ada or Ardor: A Family Chronicle (kortweg Ada) uit 1969:

“All happy families are more or less dissimilar; all unhappy ones are more or less alike,’ says a great Russian writer in the beginning of a famous novel (Anna Arkadievitch Karenina […]).”

Nabokovs Tolstoi-citaat is inderdaad een bewuste omkering van de beginzin van Anna Karenina (1877): “All happy families resemble one another, each unhappy family is unhappy in its own way”. Omkeringen, spiegelingen en vervormingen in alle soorten en maten zijn schering en inslag in Ada, en de beginzin zet meteen de toon. Een samenvatting van de inhoud zal ik op deze plaats overslaan. Belangrijkste gegeven van de roman: de liefde tussen Van Veen en, naar zal blijken, zijn zuster Ada.

Ada is een vroege liefde van Geerten Meijsing. In ‘De tijd, de namen en de dingen I’ uit 1971 is de roman het op een na favoriete boek van Erwin Garden uit de moderne literatuur: “Niets in de wereldliteratuur, behalve misschien de herinneringen van graaf Tolstoi, kan wedijveren in pure vreugde en Arcadische onschuld met het Ardis-gedeelte van het boek” (Erwins echo, blz. 72) – een letterlijke vertaling  van een passage uit een van de laatste pagina’s van Nabokovs roman, die eindigt in zijn eigen blurb. Even verderop wordt, iets minder letterlijk, gealludeerd naar de allerlaatste zin van het boek met daarin een opsomming van een aantal details uit het verhaal, eindigend met “and much, much more”. Bij Joyce & Co wordt dit:

“langzaam uit het geheugen verdwijnende gebaren en hun betekenis, voetstappen van nymfetten in het gras, het hoofd omhoog zodat het haar naar achteren viel, een mond vochtig van de mist of van een kop thee. En nog veel, veel meer” (Erwins echo, blz. 72-73).

De aantrekkingskracht van Ada voor Meijsing, en speciaal voor ‘De tijd, de namen en de dingen’, ligt enerzijds in de driehoeksverhouding van Van en Ada en hun halfzusje Lucette, en anderzijds in de rol van de herinnering. Erwin Garden noemt Van “mijn alter ego” en hij trekt een parallel tussen Nabokovs personages en het trio Erwin, Michael en Martha. In zijn aantekeningen voor het verhaal noemt Meijsing onder het kopje ‘ingrediënten/materialen’ onder andere “Eden: la terre promise Cf. Ada en Van Veen”.


Daarnaast zijn zowel Ada als de andere twee door Erwin genoemde romans (Rayuela van Julio Cortazar en Tunc van Lawrence Durrell) boeken die zich bij uitstek bezighouden met de herinnering, en dan met name met alternatieve wijzen van herinneren en het terughalen van/vormgeven aan het verleden. Dit past bij een andere aantekening, onder het kopje ‘themaas’: “de herinnering à de memory schiet te kort”.


Nabokov en Ada keren terug in Erwin. In het lijstje met driehoeksverhouding op blz. 37 staan ook “Ada en Van en Lucette”; de lijst met lievelingsschrijvers op de volgende pagina bevat “VLADIMIR NABOKOV”. Toch is Erwin Garden niet meer zo complimenteus over Nabokov als enige jaren daarvoor. In het hoofdstuk over de moderne literatuur (in de brede zin des woords) merkt Erwin op: “Over de enige schrijver die nog leefde […] , VLADIMIR NABOKOV, was ik niet zo zeker” (blz. 269). Wel geeft hij toe dat Nabokovs protagonisten hem altijd deden denken

“aan de wereld waarin zich mijn liefde had afgespeeld: langzaam uit het geheugen verdwijnende gebaren en hun betekenis, voetstappen van nymphetten in het gras, het hoofd omhoog zodat het haar naar achteren viel, een mond vochtig van de mist of van een kop thee.”

Na Erwin verdwijnt Ada uit zicht, net als zovele andere literaire voorkeuren van Erwin Garden. Dat er weer naar de Nabokovs roman wordt verwezen in Siciliaanse Vespers is niet verrassend – dat boek is, zoals ik al eerder op dit blog heb betoogd, onder meer een reis door de boekenkast van de schrijver. Intrigerender vond ik een indirecte verwijzing in Dood meisje, die mogelijk laat zien dat Ada nog steeds in Meijsings achterhoofd zit. Het gaat om het hoofdstuk ‘Nachtwegen I’, dat bestaat uit een aantal lezingen, colleges of monologen van Hovenier over dromen en zijn ontsnapping uit Tübingen. Toen ik dit hoofdstuk las was mijn onmiddellijke associatie: Ada, deel 2, hoofdstuk 4.

In dat hoofdstuk houdt Van Veen, zonder dat dit wordt aangegeven of ingeleid, een college over dromen, beginnend met de zin “What are dreams?” Dat het om een college gaat blijkt tegen het einde van het hoofdstuk, als tussen het betoog van Van opmerkingen worden ingevoegd als “(grating sound of horizontal strokes)” en, aan het slot, “(laughter and applause)”. Er zijn geen directe tekstuele overeenkomsten met ‘Nachtwegen I’, maar in beide gevallen gaat het wel om een hoofdstuk waarin de vertelinstantie afwijkt van die in het grootste deel van het boek. Door een vergelijkbaar onderwerp – dromen – krijgt die afwijking in het geval van Meijsing meer nadruk wanneer de lezer Ada kent. Gevolg is dat de gecompliceerde vertelstructuur van Dood meisje als geheel geplaatst wordt naast de gecompliceerde vertelstructuur van Ada, waardoor inzicht in de uitgebreid becommentarieerde en geanalyseerde roman van Nabokov kan helpen bij het doorgronden van de roman van Meijsing. Wellicht een ideetje voor een doctoraalscriptie?

Jack van der Weide

zondag 19 juni 2011

18 juni 2010/2011

Tegen het einde van de middag begint het stevig te waaien. De dansende boomkruinen voor mijn raam boven de tramrails mogen een waarschuwing heten. De lucht wordt alle kanten opgezogen. Waar komt die vandaan, de wind?
  Gisteravond laat moest ik op een verlaten perron te Duivendrecht een half uur wachten op mijn boemeltje naar Station Amstel, gevolg van een verkeerd ingeschatte thuisverbinding.  (Nog even afgezien van het gevolg van het feit dat mijn Prestiges aan de grond staan, anders had ik mij nooit in de hel van het Openbaar Vervoer begeven. Die auto’s namelijk, voor de niet-ingewijden, zakken bij iets langere stilstand tot op de grond, totdat het landingsgestel helemaal is ingeklapt.)
  De stationsklokken gaan met de grote wijzers, wanneer de secondewijzer helemaal rond is, met een rukje een minuut verder. Godzijdank klinkt er geen zachte bezwerende muziek uit de stations luidsprekers. Ik zag één KLM stewardess voorbij komen met een klein rolkoffertje, en misschien twee escortmeisjes, met eenzelfde rolkoffertje. Allemaal haastten ze zich met klikkende hakken naar de andere kant van het perron, waar een metro aanlegt en afvaart, met dezelfde soort piepsignalen als GSM-telefoontjes afgeven. Overigens was het daar doodstil, dat halve uur, in de nacht.
  Vier keer werd, zonder waarschuwing, de lucht aan stukken gescheurd door een passerende sneltrein op volle snelheid: twee Nederlandse high speeds, een wonderschone Duitse Rijnpijl en een Thalys, die ongetwijfeld terugkwam van Avignon. Die treinen reden vrij geruisloos, maar ze veroorzaakten elke keer een enorme windhoos, waardoor ik mij bijna vast moest klemmen aan de reling, nee, ik klampte mij na de tweede trein daadwerkelijk vast.
  Want ik zag hun lichten vanuit de verte naderbij snellen, in de suizende stilte. Hoe gemakkelijk was het niet geweest: een, twee stappen, en ik was in één keer van alle, aanhoudende ellende verlost. Vier gemiste kansen voor een supersnelle dood. Ik ging zelfs zo ver, in mijn verbeelding, aan de einddatum te denken van mijn grafschrift.
  Pas toen werd mij de gruwelijke waarheid geopenbaard: het was de dag voorafgaand aan de sterfdatum van ‘mijn eeuwige schaduw’, om een oude boektitel van Paul de Wispelaere te misbruiken.
  ‘Jonge leeuw onder de volken, tot zwijgen zijt gij gebracht! Gij waart als een zeemonster: in uw stromen liet gij het borrelen, met uw poten bracht gij het water in beroering en deedt zijn stromen troebel worden. 3  Zo zegt Adonai de Eeuwige: Mijn vangnet spreid Ik over u uit door een menigte van vele volken. Zij halen u op in mijn net! 4  Ter aarde werp Ik u neer, slinger u weg op het open veld. Al het gevogelte des hemels doe Ik op u neerstrijken, de dieren van heel de aarde zich aan u verzadigen. 5  Uw vlees leg Ik op de bergen, de dalen vul Ik met uw afval. 6  Ik drenk het land met uw lijkvocht, met uw bloed, tot aan de bergen toe; de beekbeddingen worden door u gevuld. 7  Wanneer Ik u uitblus, befloers Ik de hemel en verduister Ik de sterren, de zon overdek Ik met wolken, en de maan doet haar licht niet schijnen. 8  Al de stralende lichten aan de hemel verduister Ik om uwentwil: duisternis breng Ik over uw land; luidt het woord van Adonai de Eeuwige.’
 

 Morgen zou het een jaar geleden zijn dat Keith Snell was overleden, en de tegenstelling van zo’n gemakkelijke dood in een, twee stappen met de langzame lijdensweg die mijn compaan zichzelf disciplinair had opgelegd, maakte dat ik mij schaamde, zelfs laf voelde. Goed, ook van mij was niks geworden, krank in de kop misschien net als mijn vriend, maar ik was er nog om de verjaardag van zijn dood te gedenken. Ik kon er bij voorbeeld een klein stukje over schrijven.
  ‘Een klaaglied is dit: men moet het zingen; de dochters der volken moeten het zingen; over Europa en over heel zijn menigte moeten zij het zingen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige.’
  En morgen is inmiddels vandaag, of alweer gisteren. Het is pas gisteren dat ik Keith altijd aan mijn zijde wist; het is pas gisteren, een jaar geleden, dat hij mij ontvallen is; mij is voorgegaan – al wil ik geen onheil afroepen. Het onheil is alreeds geschied en wordt bij voortduring, soms met ongewenste traagheid, aan ons voltrokken.
  Beste jongen: je hebt me weer een keer behoed voor het allerergste.


 

Geerten Meijsing

dinsdag 14 juni 2011

25.000 HEADMEN

Op mijn eigen site, die nu uit de ether is maar daar nog ergens rondzweeft, heb ik in een decennium misschien 35.000 hits gehaald. Die werd dan ook door Achille van den Branden 'de lelijkste website die ik ooit gezien heb' genoemd. Het heeft me evenwel veel knutselwerk gekost, zodat ik er ten slotte maar van af zag. Boeken en elektronica hebben ten slotte niets met elkaar te maken, al worden ons veel leugens verteld over e-books en andere flauwekul. Ook vond ik het niet sjiek voor mijn eigen werk reclame te maken, want ik drijf geen winkel. De uitgeverij moet voor de verkoop zorgen, niet de auteur. Maar de plaatjes miste ik toch wel, die in elke huiskamer opgeroepen konden worden, net als de flauwe grappen die ik de internet-astronaut voorschotelde. Mensen die op internet zitten te koekeloeren lezen evenwel geen boeken.
Wie beschrijft mijn gelukzalige verbazing toen een jaar geleden een blog zichzelf op het net begon te ontrollen, geheel gewijd aan Joyce & Co. - een vereniging die ik nog altijd in mijn hart koester - en mijn schrijverschap. Het was 't mooiste verjaardagscadeau mij ooit te beurt gevallen, naast de oprichting van het genootschap Vrienden van de Vorm datzelfde jaar! En tegelijkertijd een grote troost om het gruwelijke verscheiden van Keith te verwerken.
Ik kende de onverlaten die dat initiatief genomen hadden wel: zij hebben zelf hun hele leven min of meer een soortgelijke vereniging gevoerd, gebaseerd op zielsverwantschap en een grote liefde voor de kunsten, eermaals tot uitdrukking gebracht in het voortreffelijke tijdschrift Faun. Inmiddels zijn Rob Eksteen en Jan-Paul van Spaendonck van bewonderaars op afstand goede vrienden geworden, en de bewondering is inmiddels wederkerig. En dit blog heeft op zijn beurt andere vrienden weten te maken: kijkt u maar naar de indrukwekkende links van de beste boekensites en -blogs. Niks geen reclame: het betreft hier serieuze deelstudies van en discussies over mijn oeuvre, lichtvoetig en diepzinnig tegelijk, en met de nodige humor. Tenslotte: 'What is the use of a book without pictures and conversation?'

Geerten Meijsing

woensdag 8 juni 2011

DOOD MEISJE


Op 16 april 2011 brachten Roman Graftdijk (de zoon van Thomas Graftdijk) en zijn Italiaanse vriendin een bezoek aan Geerten Meijsing. Roman had een auto gehuurd en wilde met de schrijver een tocht maken langs de plaatsen van diens jeugd. Meijsing stemde toe, maar stelde als voorwaarde dat ze, voor deze sentimental journey te maken,  eerst een bezoek zouden brengen aan twee begraafplaatsen: die van Keith en Layla Goldstein. Layla Goldstein was in de laatste jaren van de vorige eeuw de vriendin van Meijsing, en stond model voor het escortmeisje Lily, de protagoniste van Dood meisje. Op 'de Nieuwe Ooster' de Amsterdam vond Geerten het graf van Layla. Hij legde er witte rozen op en, naar Joods gebruik, een kiezelsteentje.

zaterdag 4 juni 2011

Kuifje (5)

Poging tot volledigheid: dacht ik dat ik alle Kuifje-verwijzingen uit Literair 2011 – een reis door mijn boekenkast had beschreven, blijkt dat toch niet het geval te zijn. Op maandag 23 mei vinden we een citaat uit de Yage Letters (1963) van William S. Burroughs, met daarin een verwijzing naar pisco: ‘(Pisco is de plaatselijke sterke drank. Blijkt vergif)’. Bij het woord ‘Pisco’ plaatst Meijsing een voetnoot: ‘Vergelijk ook De zonnetempel van Hergé, waar kapitein Haddock zegt, terwijl Kuifje ernstig bezorgd is om het lot van professor Zonnebloem: ‘Ha, deze pisco, deze pisco – het is de mooiste dag van mijn leven!’ Dit nadat de onbetrouwbare havenmeester van Lima bij hun nutteloze bezoek had gezegd: ‘Wees zo goed een glas van deze pisco met mij te drinken.’’


De Zonnetempel is geen Kuifje-album waarnaar in het werk van Meijsing (bij mijn weten) vaker wordt verwezen. Laten we deze passage dus koesteren.

Jack van der Weide