woensdag 7 mei 2014

Luikje dicht, luikje open

Geerten Meijsing en Jan-Paul van Spaendonck, maart 2014

Op veelvuldig verzoek van lezers & liefhebbers van de werken van Joyce & Co. en Geerten Meijsing hebben wij besloten, in overleg met de auteur zelf, dit blog weer open te stellen. Door de jaren heen (van 2010 tot 2013) is in Armas y Letras toch een schatkist aan artikels, besprekingen, wetenswaardigheden, trivia en foto’s opgeslagen, en het is misschien de moeite waard dat de inhoud daarvan ter inzage blijft. Tenslotte is Meijsing nog niet uitgeschreven en geeft hij eerdaags zijn nieuwe roman aan het licht. Laat onze beslissing tevens een invitatie aan de schrijver zijn niet te versagen onder de zwaarste omstandigheden.


Robert Eksteen en Jan-Paul van Spaendonck

donderdag 27 december 2012

Triëst

In zijn essay ‘De wereldreus’ – opgenomen in Restletsels. Feuilletons 9 (2012) – maakt Jeroen Brouwers een onderscheid tussen goede en grote schrijvers: goede schrijvers leveren “goede, goed geschreven boeken waar mooie zinnen in staan”, terwijl grote schrijvers een oeuvre scheppen. De boeken van goed schrijvers, aldus Brouwers, “zijn eilanden, waar de grote schrijvers continenten voor ogen staan”. Mij dunkt, Geerten Meijsing is zo’n grote schrijver. In het geval van een dergelijke schrijver vormt elke nieuwe tekst een nieuw bouwsteentje, of meer, aan dat oeuvre – ik vervang hier Brouwers’ beeldspraak door een andere. Elke nieuwe tekst brengt het oeuvre als geheel scherper in beeld, levert herkenning van motieven, personages, topen en tropen. Maar ook oudere teksten krijgen na een tijdje weer een nieuwe glans, als ze ‘met de kennis van nu’ (late Balkenende) worden gelezen. Plotseling zie je zaken die je eerder niet opvielen of waar je eerder overheen las.
Van Como tot Syracuse. Reis door Italië met de grootste schrijvers en dichters (2005) las ik toen het uitkwam, naar ik nu moet vaststellen zonder al te veel aandacht. Moord & Doodslag was net verschenen, Stukwerk volgde al weer snel, en dat waren toch boeken die wat meer attentie vergden dan deze “Reis door de literatuur van Italië van de negende eeuw voor tot de eenentwintigste eeuw na Christus  aan de hand van fragmenten uit het fonds van Athenaeum – Polak & Van Gennep bijeen gelezen en bereisd door Geerten Meijsing”. Enigszins gechargeerd: een veredelde reclamefolder voor Athenaeum – Polak & Van Gennep, althans, zo leek het destijds.
Ook was ik in 2005, ik beken, nog nauwelijks in Italië geweest, en dat verhoogde het enthousiasme niet bepaald. Gisteren haalde ik Van Como tot Syracuse weer uit de kast en was aangenaam verrast, zoals dat heet, door Meijsing inleidende teksten bij elke reisbestemming. In de inleiding bij Triëst (blz. 47) vielen mij meteen een paar zaken op die Brouwers’ hierboven aangehaalde woorden in herinnering brachten – zaken die ook deze tekst van Meijsing tot een onmiskenbaar onderdeel van zijn oeuvre maken. Het ging om Michelstädter, Joyce en Kuifje.
Allereerst Michelstädter: “De schaduw van de jonge zelfmoordenaar Carlo Michaelstädter uit Gorizia hangt over het achterland [van Triëst; JvdW]”. Meijsing schrijft dus “Michaelstädter”, waarschijnlijk met Michael van Mander in zijn hoofd. Dat alleen al is de moeite van het opmerken waard. En daarna stok ik meteen: Carlo Michelstädter (1887-1910), schrijver, dichtere, kunstenaar en filosoof, pleegde op drieëntwintigjarige leeftijd zelfmoord. Ik ken hem uit andere teksten van Meijsing, dat weet ik zeker, maar welke?
Dan Joyce: “James Joyce schreef hier Ulysses en probeerde er een bioscoop te runnen om in leven te blijven”. Niet helemaal correct – Joyce deed in de periode dat hij in Triëst woonde inderdaad pogingen om een bioscoop uit te baten, maar dat was in zijn geboortestad Dublin. Triëst is trots op Joyce. Er zijn straten naar hem genoemd, er is een  Joyce-wandeling uitgezet, er is een minimaal Joyce-museum (waar je een aardige dvd over Joyce en Triëst kunt zien en kopen) en er zijn een paar foeilelijke standbeelden voor de Ierse schrijver opgericht. Meijsings ietwat vileine opmerking over Joyce, inclusief kleine afwijking van de feiten, past volledig in zijn houding ten opzichte van zijn voormalige voorbeeld: Joyce is een jeugdzonde die openlijk gebagatelliseerd wordt, maar die stiekem zijn sporen nog steeds nalaat. Zie hierover ook mijn stukje van 12 februari 2012 op deze website.
En tot slot natuurlijk Kuifje: “Misschien is het beste dat je over de stad kunt zeggen dat er nog restaurants zijn met de zware Mitteleuropäische Küche waar je Sauerbraten en Kaisersmarn kunt eten, om nog maar te zwijgen van de Balkanrestaurants met hun specialiteit: jongehondenbout in Syldavische saus”. Een letterlijk citaat uit het Kuifje-album De scepter van Ottocar, dat laatste. Wat moet ik daar nog over zeggen? Misschien dat het album niet voorkomt in Meijsings lijstje van de zeven beste Kuifje-albums dat hij in 1999 voor Humo opstelde (in ‘Virtuele tijdcapsule’, opgenomen in Hang- en sluitwerk), maar dat er wel uit geciteerd en naar verwezen wordt in onder meer Tussen mes en keel, Siciliaanse vespers en Literair 2011. Ook viel mijn oog net, bij het zoeken naar Michelstädter, op het begin van ‘Legendarische beren’ uit 2004, eveneens te vinden in Hang- en sluitwerk: “Wanneer ik me een voorstelling van Slovenië probeer te maken, zie ik de plaatjes van Syldavië voor me uit Kuifje”. Welke verwijzing weer rijmt met een citaat uit Michael van Mander: “Terwijl de trein (meloenen, kippen en gastarbeiders met transistorradio’s in de toiletten) door de Kuifjeslanden Syldavië en Bordurië reed, maakten Erwins gevoelens van onrust en onbehagen plaats voor een contemplatieve, bijna ernstige stemming ”. Een oeuvre, beslist!

Jack van der Weide

maandag 24 december 2012

Aangeraakt door Erwin


Zoals aangekondigd op de Erwindag op 5 october j.l. heeft Jan Keijser van Avalon Pers te Woubrugge een nieuwe uitgave bezorgd, Aangeraakt door Erwin. Het betreft een herdruk, in 90 exemplaren, van een fraai verhaal van Onno Blom uit 2002 over de heruitgave van de complete Erwin-trilogie in één band. Het boekje is geheel met de hand gezet, bibliofiel gedrukt op Velata avorio en met cahiersteek ingenaaid; het is prachtig verzorgd, een lust voor het oog.

        Gouden vrienden van stichting Vrienden van de Vorm hebben het werk inmiddels thuisgestuurd gekregen; andere vrienden en belangstellenden kunnen het boekje verkrijgen door overmaking van € 17,50 op rekening 6046134 ten name van stichting Vrienden van de Vorm (IBAN NL05INGB0006046134, BIC INGBNL2A). Vermeldt u s.v.p. uw adres, u krijgt het werk dan z.s.m. thuisgestuurd.

Bestuur van stichting Vrienden van de Vorm 

zondag 9 december 2012

Tirade

In Tirade nummer 446 (2012 nr. 5) staat onder het motto “Geen slechtere adressant voor de schrijversbrief dan de ambtenaar, de huisbaas of de proleterige bovenbuurman” een brief van Geerten Meijsing aan zijn Siciliaanse huisbaas en een door Meijsing vertaalde brief van Frederick Rolfe uit juni 1909 aan de Engelse consul in Venetië, met een verzoek tot repatriëring. Andere brieven in dit nummer zijn van Jamal Ouariachi, Frits Abrahams, Christiaan Weijts, Ester Naomi Perquin en Charlotte Mutsaers. Verder teksten van onder meer Jabik Veenbaas en Carel Peeters, en poëzie van Peter Drehmanns, Eva Gerlach en Aad Nuis. Zie http://www.tirade.nu; het nummer is ook via die website te bestellen. Uit de brief van Meijsing: “U was een fijne huisbaas. Gaarne onderhoud ik zo min mogelijk contact met huisbazen en huizenbezitters, aangezien ik zelf tot de onderklasse der huurlingen behoor. Dat ik nu contact met u moet zoeken, u bent gewaarschuwd, voorspelt weinig goeds”.
 
Jack van der Weide

woensdag 5 december 2012

Mr. J. Meijsing, gemeentesecretaris


Marten Buschman, voormalig klasgenoot van Geerten Meijsing, trof al bladerend in de archieven van het Haarlems Dagblad dit artikel aan. Hij liet de foto's vergezeld gaan van de onderstaande tekst. De schrijver, desgevraagd, kon zich van de afgebeelde gelegenheid niet veel herinneren.

"Op de foto zien we drie kinderen van mr. J. (Joep) Meijsing. De vader van Geerten Meijsing was jaren lang gemeentesecretaris van Haarlem. Van januari 1968 tot en met 1984. In januari is hij geïnstalleerd in de Gravenzaal te Haarlem. Zijn vrouw en kinderen waren aanwezig. De fotograaf van het Haarlems Dagblad heeft niet alleen de nieuwe functionaris, maar ook de familie op de foto gezet en in het dagblad gepubliceerd.

Hoewel meer dan vijftien jaar de hoogste ambtenaar in Haarlem, was zijn functie niet publiciteitsgericht, maar vooral zorgen - op de achtergrond - dat het College van B & W zijn werk naar behoren verrichtte. Zijn drie kinderen, Doeschka, Geerten en Joep, zitten daar als ‘kind van’, maar laten zich na 1968 niet zo stil wegzetten als hun vader. Die is nu ‘vader van’ geworden!"

vrijdag 23 november 2012

‘When the world was five centuries younger’ — Johan Huizinga en Baron Corvo


Door Sander Bink

Sta me toe een klein detail toe te voegen aan het verder complete en interessante verhaal van Wessel Krul in het door u uiteraard ondertussen van kaft tot kaft gelezen Lopende Vuurtjes. In zijn artikel ’Teleurstellingen en ontdekkingen. Johan Huizinga en Engeland, 1899-1914′ schrijft hij:

[Huizinga heeft] herhaaldelijk aangegeven hoeveel de cultuur van het fin de siècle voor zijn vorming als historicus en als schrijver heeft betekend. (….) De grootste aandacht ging naar Franse ‘decadenten’ als J.K. Huysmans, Rémy de Gourmont, Pierre Louys, en naar een dichter als Verlaine, al komt deze in Huizinga’s opsomming niet voor. Daarnaast had de Engelstalige literatuur een belangrijk aandeel.

Over die Engelse literatuur en cultuur van rond 1900 en het belang hiervan voor Huizinga wordt vervolgens ingezoomd. Zeer belangrijk voor de verspreiding van die Engelse cultuur en de modernste buitenlandse literatuur was het welbekende in 1895 door P.L. Tak opgerichte tijdschrift De Kroniek. Huizinga zelf zou er diverse artikelen in publiceren. Enigszins wonderlijk is dan vervolgens het concluderende deel en afsluitende vraag van de prof. dr. :

Er is, tot slot, een auteur uit het Britse fin de siècle wiens naam bij Huizinga nergens voorkomt, in zijn gedrukte werk evenmin als zijn notities. Dit is Frederick Rolfe (1860-1913), een van de meest excentrieke personages uit dit aan zonderlingen bepaald niet arme tijdperk, die publiceerde onder het pseudoniem ‘Baron Corvo’. Rolfe is misschien nog het beste bekend gebleven door de opmerkelijke biografie The Quest for Corvo, die A.J.A. Symons in 1934 aan hem wijdde. Zijn eigen geschriften waren lange tijd volkomen vergeten, met uitzondering misschien van zijn fantasie over het pausdom in de roman Hadrian VII (1904). Maar omstreeks 1900 had hij een zekere, ook toen al omstreden reputatie. Huizinga verwezenlijkte zijn eigen streven naar ‘het ware Dichterschap’, in de betekenis zoals hij die die in 1913 omschreef, in 1919 met zijn groots opgezette Herfsttij der Middeleeuwen. De beroemde openingszin van het eerste hoofdstuk, ”s Levens felheid’ luidt: ‘Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel scherper uiterlijke vormen dan nu.’ In deze zin, zoals vaker in Herfsttij, klinkt misschien de echo van een uitspraak in Huysmans Là-Bas: ‘Depuis quatre siècles le monde n’a fait que déchoir.’ Maar in zijn Chronicles of the House of Borgia (1901), ook weer meer vrije verbeelding dan geschiedschrijving, had Rolfe het in soortgelijke bewoordingen over ‘the physically strong and intellectually simple fifteenth century, when the world [...] was five centuries younger and fresher; when colour was vivid; light, a blaze; virtue and vice, extreme, passion, primitive and ardent; life, violent, youth, intense, supreme.’ Hier is opnieuw die ‘felheid’ van ‘toen de wereld vijf eeuwen jonger was’. Gaat het om een gemeenplaats van het fin de siècle, die uiteindelijk te herleiden is tot Die Kultur der Renaissance in Italien (1860) van Jacob Burckhardt? Of heeft Huizinga, toen hij begon aan Herfsttij, zich niet alleen Huysmans maar ook deze zeer decadente Engelsman herinnerd?

Het antwoord op deze vraag kan eenvoudigweg zijn: ‘Ja. Hoogstwaarschijnlijk wel.’ Waarom? Omdat er nota bene werk van Baron Corvo in De Kroniek verschenen was! Een van de meest curieuze literairhistorische feiten van de literatuur van de jaren 1890. In De Kroniek van 5 maart 1899 verscheen ‘Van San Pietro en San Paolo. FEUILLETON door BARON CORVO’ en in oktober van datzelfde jaar in ieder geval nog ‘De ketterij van Fra Serafico’. Dit zijn vertalingen van Corvo’s ietwat pederastische Stories Toto Told Me uit 1898. Bij mijn weten zijn dat de eerste Corvo-vertalingen: iemand rond of bij De Kroniek moet goed op de hoogte zijn geweest van de decadente literatuur rond The Yellow Book, getuige het feit dat er ook nog eens vertalingen van Ernest Dowson verschenen, bijvoorbeeld zijn verhaal ‘Het dagboek van een voorspoedig man’ (‘Diary of a succesful man’ uit: Dilemmas. Stories, 1895). Wie dit was, is niet bekend, maar ik vermoed dat het dezelfde persoon was die er enkele jaren eerder voor had gezorgd dat er in 1893 reeds een Nederlandse vertaling van Wilde’s Salomé verscheen, nog voor de Engelse. Mocht u niet de jaargangen van De Kroniek bij de hand hebben: in 1984 werden Corvo’s Toto-verhalen door Gerben Wynia gebundeld en in een helaas gelimiteerde oplage verspreid.


(Met toestemming overgenomen van het blog Rond 1900 van Sander Bink)

zaterdag 17 november 2012

Nanne Tepper

‘Sinds Wanja, onze correspondent in Lula, in zijn boek beschreven had hoe zusje haar geliefde broer ’s ochtends komt wekken met een limonadeglas vol bourbon, was hij op Jack Daniel’s overgestapt. Black Jack, sour mash, dat was voortaan zijn merk.’ (Tussen mes en keel).

Afgelopen zaterdag overleed Nanne Tepper, die model stond voor Wanja in Tussen mes en keel. Meijsing en Tepper voerden in de tweede helft van de jaren negentig een bij tijd en wijle intensieve correspondentie, met soms meerdere brieven per week. Aanleiding tot de correspondentie was Teppers debuutroman De eeuwige jachtvelden (1995), door Meijsing in zijn allereerste briefje ‘een ontroerend boek’ genoemd. Tepper was op zijn beurt al langere tijd een bewonderaar van Meijsing – in zijn antwoordbrief noemt hij zich een ‘trouwe, kritische lezer en verzamelaar’ van diens werk.
De eeuwige jachtvelden werd ook door de kritiek goed ontvangen. De recensies varieerden van gematigd positief tot uiterst lovend. In 1996 ontving Tepper de Anton Wachterprijs, een tweejaarlijkse debutantenprijs; Meijsing was aanwezig bij de uitreiking in Harlingen. In 1998 publiceerde Tepper zijn tweede roman, De vaders van de gedachte, die eveneens positief werd ontvangen en op de shortlist voor de Libris Literatuurprijs 1999 kwam te staan. Tussendoor verscheen nog in beperkte oplage de novelle De avonturen van Hillebillie Veen, die enkele jaren later opnieuw voor de handel werd uitgegeven. In 1999 zag ook een Engelse vertaling van De eeuwige jachtvelden het licht, The Happy Hunting Grounds. Daarna werd het stiller rond Tepper; in 2008 bracht zijn nieuwe uitgeverij De Bezige Bij De lijfbard van Knut de Verschikkelijke uit, een verzameling teksten uit vooral de jaren negentig.
In de roerige jaren 1996-1998 was de correspondentie met Tepper voor Meijsing erg belangrijk. ‘Ik heb deze onverwachte brief bevestigd aan mijn prikbord’, laat Meijsing in Tussen mes en keel Provenier opmerken over een brief van Wanja. ‘Hij had voor mij extra waarde omdat ik al mijn oude correspondenties had afgebroken. Deze verwante stem uit Lula was balsem voor mijn ziel. Daar in het hoge noorden werd een kaars voor mij gebrand. Er was nog iemand die aan mij dacht.’
Het contact tussen beide schrijvers verslapte tegen het einde van de jaren negentig, al bleef Tepper wel sporadisch in het werk van Meijsing opduiken. Nog in 2010 schrijft laatstgenoemde in Literair 2011 (2 juli, voetnoot 1): ‘Sterfdag van Vladimir Nabokov […]. Mijn lievelingsboeken van hem zijn Speak, Memory uit 1967, en Ada or Ardor: a Family Chronicle uit 1969. Nanne Tepper deelt die voorkeur’.
De brieven van Meijsing aan Nanne Tepper zullen in de loop van 2013 verschijnen bij de Statenhofpers, verzorgd door Taco de Kort en ondergetekende.


Jack van der Weide