dinsdag 29 mei 2012

Een CX keren


De laatste bijdragen op dit blog, over het recente autonummer van Tirade en de documentaire uit september 1992 over het verschijnen van De Grachtengordel, brachten me op het idee om een filmpje aan te bieden. Het betreft een opname die ik afgelopen februari heb gemaakt op Sicilië, toen ik daar met de andere bestuursleden van stichting Vrienden van de Vorm, Thomas van Grafhorst en Taco de Kort, en filmmaker Renger van den Heuvel op bezoek was bij Geerten Meijsing. Bij die gelegenheid hebben wij een excursie gemaakt naar de Riserva naturale orientata Oasi Faunistica di Vendicari, een beschermd natuurgebied tussen Noto en Marzamemi, waar we hebben gewandeld en, sommigen van ons, in zee gezwommen. Bovenal hebben we daar, in de voormalige tonnara (tonijnverwerkingsfabriek), een bijzonder prettige lunch gebruikt, bereid door de schrijver zelf. Het filmpje is gemaakt toen we, na afloop van het bezoek aan de Riserva naturale, weer op pad gingen en Geerten zijn Citroën CX op soepele wijze draaide, onder het bewonderend oog van bovengenoemde reisgenoten.


Die CX zorgde eerder op de dag al voor een hoogtepunt toen ik deze auto gedurende een tiental minuten door het Siciliaanse landschap mocht rijden. Het was voor mij de eerste keer dat ik achter het stuur van dit type Citroën zat; ik vraag me nog steeds af waarom ik dat niet eerder heb gedaan, want het was een hemels genot. Mijn ervaring met oude Citroëns is uitsluitend gebaseerd op de DS die ik nu alweer 18 jaar rijd, maar Geerten's CX bleek alle voordelen te bieden van mijn eigen Godin - uitstekende wegligging en vering, fantastisch design - maar niet de nadelen. Vooral het zitcomfort en, meer nog, het gebrek aan lawaai in de auto vond ik een openbaring. Daarbij kwam natuurlijk dat ik met volle teugen genoot van de bijzondere plek waarop ik die minuten zat, achter het stuur waar de schrijver inspiratie opdeed voor vele literaire hoogstandjes.   

Steven Cras

P.S. Net als de uitsnede van de Ziggurat documentaire over De Grachtengordel is het CX filmpje te vinden op de website van stichting Vrienden van de Vorm, bij externe links/video.               

donderdag 24 mei 2012

Geerten Meijsing interview


Zie hier een uitsnede, gevonden op YouTube door Jack van der Weide, van een documentaire die de toenmalige BRT uitzond naar aanleiding van het verschijnen van De Grachtengordel. Het bijschrift luidt: 'Geerten Meijsing spreekt over literatuur, erotiek, jazz, celibaat, Joris-Karl Huysmans, Kees Verwey, George Gissing, Gerrit Komrij, Amsterdam, Haarlem. Ter gelegenheid van het verschijnen van zijn roman 'De Grachtengordel'. Opname stamt uit circa 1992/1993.'
De precieze datum van uitzending konden we niet achterhalen. Heeft een van onze lezers meer informatie?

maandag 21 mei 2012

Het Tirade-autonummer



Tirade nr. 443 is een speciale aflevering over schrijvers en auto's. Het lag dus voor de hand, zou je denken, om Geerten Meijsing om een bijdrage te vragen; in weinig Nederlandse literatuur is de auto zo prominent aanwezig, als stilistisch icoon en als zwierig symbool van vrijheid, als in Meijsings van Snoeken doortrokken oeuvre. Gelukkig is de redactie van Tirade ook meteen op dat idee gekomen, en het resultaat is een volgens de wervende tekst 'ontroerend dubbelportret' van Geerten en zijn zus Doeschka. Daarin gaat het nu eens niet uitsluitend over de Citroën DS of CX, maar ook over bijvoorbeeld 'geile Lancia's'. De openingsscène van het verhaal (Eerste rit) is te lezen op www.tirade.nu.


JPvS

zaterdag 14 april 2012

De Volkskrant



Mijn hart sprong op toen ik in de Volkskrant van vandaag een foto aantrof van Geerten Meijsing. ‘Geerten Meijsing, vroeger en nu’ luidt het onderschrift. Inderdaad zien we naast het nog steeds blonde, maar wat zorgelijke hoofd van de schrijver een portret van hem als zijn jeugdige alter ego Erwin Garden: de stralende maar zelfmoordzwangere held van wat velen als zijn magnum opus beschouwen, de Erwin-trilogie.
Het bijbehorende stukje (‘Vrienden steunen Meijsing’) blijkt niet veel meer om het lijf te hebben dan een vaststelling van de verschijning van de Zendbrief aan de Vrienden van de Vorm, en een korte beschrijving van doel en methode van de stichting, waarbij een paar klinkende namen de aandacht moeten prikkelen en de nadruk ligt op Meijsings ‘precaire’ omstandigheden. De slotalinea luidt: ’En hij herhaalt zijn adagium: “literaire teksten verwijzen louter naar zichzelf”. Dat zullen de vrienden van de vorm beamen.’
Ik weet niet wat de dienstdoende scribent van de Volkskrant precies met die laatste opmerking bedoelt, en misschien is het mijn achterdocht, maar ik proef er een verwijzing in naar het eeuwige elitarisme, dat de pers altijd zo grif en gemakzuchtig in de mond neemt als het over Meijsing gaat. Alsof die niet hartverscheurend mooie en zeer toegankelijke boeken heeft geschreven! Toegegeven, wat Meijsing tot een geval apart maakt binnen onze letterkunde is dat er altijd meer is dan een toegankelijk verhaal: er resoneert een geweldige klankkast mee van Westerse cultuurgeschiedenis, de fabel is rijk omkleed met eruditie, bespiegeling en melancholie. U en ik vinden dat alleen maar een pluspunt, maar dat de tegenstanders talrijk en machtig zijn blijkt eens te meer uit de meest in het oog springende besprekingen in deze zaterdagse boekenbijlage. Die gaan over de stukjesschrijvers Bril en Snijders. Hoe korter hoe beter, zullen we maar zeggen.

Jan-Paul van Spaendonck

woensdag 15 februari 2012

Droogstempel

Toen ik Erwin voor het eerst opensloeg wist ik niet wat ik zag. Een geheimschrift, 365 alinealoze pagina’s in klein corps lang, net zo veel als er dagen waren in het jaar: ik telde er op dat moment achttien. Wat ik in handen had was de toegang tot een geheimzinnig universum, oud en nieuw tegelijk, waarin machinaties plaats hadden die in de gewone mensenwereld van 1974 onzichtbaar en bijna ondenkbaar waren. Alleen via deze publicatie konden we er een glimp (een gulle, dat wel) van opvangen. Ik begon er gretig maar moeizaam in te lezen en betrad een wereld van literaire traditie, weemoed, schoonheid, eruditie, dramatische liefde en arcadische vriendschap, waarin met Grieks en Latijn werd gestrooid alsof het niets was en heel andere schrijvers ten voorbeeld stonden dan die waarover de boekenbijlage schreef. Een schaduwuniversum, verlokkelijk dichtbij maar ongrijpbaar, nèt niet gelijk aan het onze, een betoverde wereld waar ik o zo graag bij wilde horen maar waarvan ik de wetten niet precies kende. Die werden uitgevaardigd door de geheimzinnige firma Joyce & Co., en hun beeldmerk met de spreuk Armas Y Letras bezegelde ze.

Het zou te ver voeren hier te beschrijven hoe en waarom, maar in de loop van mijn leven raakte ik bevriend met Geerten Meijsing. In de eerste jaren van onze vriendschap was hij voor mij toch vooral de bewonderde schrijver, voorman van de inmiddels legendarische firma Joyce & Co., tot wier burelen ik nog steeds geen toegang had. Als ik Geerten moest geloven bestond die firma trouwens helemaal niet. De tijd verstreek en haalde haar streken uit, en het icoon van de gelauwerde auteur verbleekte en maakte plaats voor het warme, levende beeld van een lotgenoot en reisgezel op de levensweg (‘gezellig’ is een belangrijk woord in Geertens vocabulaire, met een diepere betekenis dan de gangbare). Aan de firma dacht ik nooit meer, die was iets geworden van onze jeugd, van de mijne zo goed als van de zijne.
Tot op een koude winterdag in 2012. Het jaar daarvoor waren we bezig geweest met het vertalen van de Sonnetti Lussuriosi van Pietro Aretino. Een lente lang, terwijl de bloesems zich roze uitvouwden en weer van de bomen sneeuwden, bogen we ons, vaak met de tong in de wang, over de edelporno van de Renaissancistische arbiter elegantiae, en bestookten elkaar met scabreus gescandeerde telefoontjes en e-mails, tot we geen cazzo of potta meer konden zien. We schreven er een zwierig nawoord bij en stuurden alles op, per post en digitaal, naar Boris Rousseeuw, die er een bibliofiele uitgave van zou maken.
Drie seizoenen later was het boek klaar en moest het worden gesigneerd. Ik had mijn krabbel al gezet. Die van Geerten (een krabbel mag je dat niet noemen, men kan rustig spreken van een signatuur) zou hij in Syracuse toevoegen. Maar het lot, in de gedaante van de tragische en ontijdige dood van zijn zuster, bracht hem naar Nederland, zodat ik op een middag kon toezien hoe hij zijn vulpen, gevuld met Ionisch blauwe inkt, op het linnenpapier zette. Boris Rousseeuw reikte mij een droogstempel aan om de gesigneerde vellen te vervolmaken. Ik klemde het apparaat, dat een werking heeft die vergelijkbaar is met die van een perforator, om het papier en drukte stevig, met beide handen. Ik maakte het los, en daar stond het, in reliëf, het oude beeldmerk van Joyce & Co.
Plotseling voelde ik me alsof ik in een jeugddroom was beland.

Jan-Paul van Spaendonck

(Foto: Boris Rousseeuw. Van “Naar buiten met die tong! Wellustige sonnetten” zijn nog enkele exemplaren beschikbaar. Zie het artikel van 12 januari j.l.)

zondag 12 februari 2012

Joyce


“Een volwaardige, niet te missen bijdrage aan het Meijsing-oeuvre”, zo werd op dit blog de zojuist verschenen Zendbrief aan de Vrienden van de Vorm gekarakteriseerd. En inderdaad valt er voor de liefhebber weer veel te ontdekken, te herkennen, te analyseren en ook te gniffelen. Noot 3 op blz. VI-IX (jawel!) spant daarbij wat mij betreft de kroon. “Wie was Plato?”, vraagt de auteur zich drie maal retorisch af, en in zijn pogingen tot antwoorden komen oude bekenden voorbij als Cornelia de Vogel, Kanger, Jacques Meijsing en George Gissing – maar bij voorbeeld ook Henk en Ingrid. Het eerste antwoord begint met een, eveneens bekend klinkende, tegenvraag: “Wie was Plato? Do you agree with the wish that he had never been born, or do you rather subscribe to a live-and-let-live-philosophy?” Meijsing geeft zelf de bron van het citaat, The Pooh Perplex van Frederick C. Crews, en voegt toe: “deze examenvraag wordt oorspronkelijk gesteld aangaande de zwaar overschatte James Joyce”.

Het citaat van Crews (inclusief het begin: “Who was James Joyce?”) werd gebruikt door Meijsing, toen nog Joyce & Co, als motto bij het artikel ‘Het klassiek temperament, een epifanie’, dat in 1982 verscheen in het tijdschrift Kruispunt. Het ging om een themanummer van het tijdschrift over Joyce, en hoewel de naam van het collectief anders deed vermoeden liet Meijsing er ook toen al geen twijfel over bestaan dat de Ierse schrijver weliswaar verantwoordelijk was voor die naam, maar dat de aanvankelijke bewondering volledig was verdwenen. Vandaar het motto van Crews. Interessant is de Kruispunt-tekst met name vanwege de opmerkingen over de oorsprong van Joyce & Co, “een nu in nevelen gehulde mythe, waarvan de bijbehorende cultus obsoleet is geworden”. Deze laatste formulering keert letterlijk terug in Meijsings artikel ‘Kut met peren. Over Keith Snell’ (Tirade, 2010), dat overigens op meerde punten teruggrijpt naar het stuk uit 1982. Recentelijk wist Taco de Kort een nog vroegere tekst boven water te halen, ‘Lectio educationis’ (De nieuwe clercke, 1977), waarin eveneens de oorsprong van het collectief centraal staat:

“En op een dag had Keith een boekje mee naar school genomen van diezelfde schrijver die we al tegengekomen waren in geheimzinnig commentaren op het Tibetaans Dodenboek en waarin een jongen van onze leeftijd (of iets ouder), die ook bij paters op school zat, op een abstracte manier over schoonheid praatte, heel anders dan de ellendige manier waarop dat in de Plato-les gebeurde […]. Met JAMES JOYCE begon een lange weg terug en raakten we in een stroomversnelling van grote werken, waarin de geest gedompeld slechts vrucht kan dragen.”

Geen Crews nog, maar die duikt wel weer op in het Tirade-artikel: “‘wie was James Joyce’ is een examenvraag uit The Annotated Pooh: ‘Do you agree with the wish that he had never been born, or do you rather subscribe to a live-and-let-live theory?’”. Ook in dat artikel: “Ik leende hem […] A Portrait of the Artist as a Young Man, en hij leende me een stukgelezen Stephen Hero”. Laatstgenoemde titel, een postuum uitgegeven tekst van Joyce die aan de basis lag voor het vijfde hoofdstuk van A Portrait, is het bedoelde boekje over de jongen op de patersschool, Stephen D(a)edalus. Stephen krijgt van zijn medescholieren de spotnaam ‘Stephen the Reephen the Rix Dix Deephen’ toebedeeld, en Meijsing spot in Erwin met hen mee: “Stephen the Reephen the Rix Dix Deephen had ons op weg geholpen, maar na enige tijd begonnen we onfeilbaar onze eigen weg uit te stippelen en waren het juist Daedalus en zijn clowneske schepper die de eerste kritiek te verduren kregen’.

Maar hoe clownesk of overschat Joyce ook moge wezen, zijn opvatting over het schrijverschap is Meijsing kennelijk nog steeds welgevallig. Uit de laatste alinea van de Zendbrief aan de Vrienden van de vorm: “De handtekening van de schrijver is slechts een teken van het merkwaardige gegeven dat hij afwezig is in zijn geschriften: niet thuis, een balling die de draden heeft doorgeknipt en de schepen achter zich verbrand. Silence, exile & cunning is zijn devies.” En dat devies is toch echt afkomstig van Joyce.

Jack van der Weide