dinsdag 31 januari 2012

DOESCHKA


‘Hé Spaendonck! Ik geniet van je muziek!’ Aan die woorden van de maandagavond overleden schrijfster Doeschka Meijsing moest ik meteen denken toen ik de typering van haar uitgeefster Annette Portegies las: ‘Doeschka Meijsing verborg een diepe kwetsbaarheid achter een superieure vorm van ironie, zowel in haar werk als in haar leven.’ Ze blafte ze me bars toe, die paar woorden, en toch was de boodschap zo vriendelijk. Lief zelfs: Geerten had haar een cd’tje van mijn ensemble La Passione gegeven, en dat was haar bevallen. Of je dat superieure ironie moet noemen weet ik niet, ik zou het misschien eerder weggemoffelde verlegenheid noemen. Want hoe Doeschka ook manhaftig aan de weg timmerde en poseerde als een latter day George Sand, ze bleef in haar hart toch het opstandige meisje dat zich al schrijvend een weg zocht te banen uit haar ouderlijk huis, naar buiten, naar de grote mensenwereld. Kwetsbaar, inderdaad: toen ik haar een paar jaar later voor de tweede keer ontmoette moest ze door verpleegsters ondersteund worden en was ze een schim van zichzelf. Die fysieke broosheid die haar innerlijke breekbaarheid genadeloos liet zien is me altijd bijgebleven, ook in de jaren dat ze weer aangesterkt leek te zijn bleef dat beeld me achtervolgen als ik aan haar dacht. De verhouding tussen de schrijvende sibbelingen Geerten en Doeschka was gecompliceerd, en werd getekend door een nauw verholen competitie die in hun samenwerking Moord en doodslag des te meer naar voren trad naarmate de beide auteurs voor het oog van de wereld hun krachten bundelden. Maar uit het boekje Ik ben niet in Haarlem geboren (De Vrieseborch 1985) blijkt onomwonden de liefde en bewondering die ze haar jongere broer toedroeg. Lezers van het werk van Geerten hebben over het algemeen niet zoveel op met dat van Doeschka, en vice versa. Geerten is voor het ene kamp de schrijvende ‘broer van’, net zoals Doeschka voor het andere de letterkundige ‘zuster van’ is. Over de betekenis en de waarde van het werk van Doeschka past het ons, redacteurs van het uitsluitend aan Geerten gewijde Armas & Letras dan ook niet een oordeel uit te spreken, dat zullen anderen zonder twijfel competent en uitvoerig doen. Wij kunnen hier slechts met spijt een creatieve en getalenteerde vrouw gedenken, die met volharding en met succes uit haar moeizaam verlopen persoonlijke leven een oeuvre heeft gedestilleerd dat zeer vele lezers heeft ontroerd en in hun eigen leven heeft gesterkt. Onze diepste deelneming gaat uit naar haar broer en de andere familie.


(foto: Karoly Eiffenberger)

zondag 29 januari 2012

Tunc

Tunc van Lawrence Durrell, het boek dat Erwin Garden in ‘De tijd, de namen en de dingen I’ het hoogst prijst van alle moderne literatuur (Erwins echo, blz. 73) kwam begin jaren tachtig tot mij als Zwarte Beertjes-pocket, in de vertaling van Johan W. Schotman. Als ik het mij goed herinner kocht ik het in de uitverkoop van een boekhandel in, of all places, Terneuzen. En vanaf de eerste zinnen was mij de connectie met Joyce & Co duidelijk:

‘Van de drie mannen aan het tafeltje, allen zwarte pakken, moeten er twee stomdronken zijn geweest. Niet Nash natuurlijk, altijd vol verwijten. Maar wel Vibart, de uitgever (de laatste tijd maar al te vaak), en ook uw nederige dienaar Charlock, het denkend onkruid: weer op de loop. Felix Charlock, tot uw dienst. Nederig de Uwe, Mevrouw.’

Dat was een inkoppertje:

‘Van de vier mensen die nog aan tafel zitten […], zijn er drie […] wel bereid met overgave en ietwat uitgelaten het spel te spelen. Niet Martha […] Maar wel Keith, nu aan het woord en Il Divino Marquese (Michael), zwijgend en dronken van Drie Rozen. En dan ondergetekende mr. Garden, Erwin […]: deus ex vagina’ (‘La cena serena’, Erwins echo, blz. 41).

In de verantwoording bij Erwins echo verontschuldigt Geerten Meijsing zich ‘voor de verouderde literai­re en kunstzinnige voorkeuren van Erwin in ‘De tijd, etc.’’. Wat de favoriete boeken van Erwin uit de moderne literatuur betreft is in plaats van ‘verouderd’ het epitheton ‘tijdsgebonden’ wellicht meer op z’n plaats. Zijn top drie bestaat uit Rayuela van Julio Cortazar (1963, Engelse vertaling 1966), Ada van Vladimir Nabokov (1969) en, als gezegd, Tunc uit 1968. Drie destijds uitermate recente en ook tamelijk experimentele romans, hetgeen wel paste bij de fase waarin het collectief Joyce & Co zich ten tijde van ‘De tijd, de namen en de dingen’ bevond: ‘Nova decadentia’ was zojuist verschenen, men leek op zoek naar nieuwe vormen van vertellen, herinneren, het vastleggen van ervaringen. Van de drie genoemde romans was Tunc het meest een kind van zijn tijd – volgens Wikipedia reflecteert de roman ‘the political tensions of the May 1968 general strike in Paris’. Er is een parallel te trekken met de keuze van Joyce & Co om in dezelfde periode Ringolevio van Digger Emmett Grogan te vertalen, een boek dat veertig jaar geleden interessant was maar al snel gedateerd bleek. Tussen de andere Joyce & Co-vertalingen dissoneert het dan ook enigszins (al past het wel weer goed bij bepaalde passages uit Michael van Mander).

De belangrijkste bijdrage van Tunc aan Joyce & Co is het concept van ‘de Firma’. Bij Durrell is ‘The Firm’ een schimmige multinational die, ‘though based in Turkey and Britain, seems to extend everywhere and finally, as time goes by, in its oppressive omniscience resembles a Durrell interpretation of 1984’, aldus een contemporaine recensent in The New York Times. Schimmig is de Firma bij Joyce & Co nog steeds, en soms wordt ook geprobeerd het dreigende en onderdrukkende karakter ervan te benadrukken:

‘Altijd zal ik tekort schieten als buitenstaander de Firma genoeglijk te beschrijven zoals zij is, want alle firmanten zijn buitenstaanders en de Firma bestaat niet. Hier haast ik mij aan toe te voegen dat de Firma wel een bestaan voert en dat ik al dit onheil niet bedacht heb, o nee. Het is ondertussen allemaal werkelijk genoeg, ze hebben mijn vrienden, mijn talent en mijn handtekening genomen.’

Het verhaal waaruit dit citaat afkomstig is, ‘Erwin Erwins echo’, is meteen ook de tekst waarin de Firma het meest prominent aanwezig is. Met een kleine letter steekt zij hier en daar ook nog de kop op in Erwin en Michael van Mander, maar steeds meer op de achtergrond. Tegelijkertijd wordt ook Joyce & Co zélf min of meer gelijkgesteld aan de Firma, zoals in deze (gekarikaturiseerde) passage uit De grachtengordel, over de eerste ontmoeting van het collectief met Theo Sontrop:

‘Provenier schraapte zijn keel: ‘Dit zijn de heren Snell en Mascini, ik ben Provenier. De firma doet in film en literatuur …’

‘Dag heren, wat doet die firma in de literatuur […]’’

Eenzelfde ironie ligt waarschijnlijk ten grondslag aan de auteursinformatie over Geerten Meijsing in Ieder bladzijde een andere wereld (2004): ‘Op twintigjarige leeftijd richtte hij De Firma op: bestudering van de klassieke retorica met het doel boeken en films te produceren.’

‘De firma’ is dus een concept van de vroege Joyce & Co. Het eerste interview met Meijsing en Snel (feitelijk alleen met Meijsing), door Lidy van Marissing in 1972, draagt al de titel ‘De firma Joyce & Co. handelt in nieuwe decadentie’. Daarin maakt de interviewster melding van ‘het collectief, dat zich graag aandient als een firma’, en zegt Meijsing zelf ‘Onze materialen en theorieën zijn van firma’. In hetzelfde interview meldt hij dat vrijwel alle grote literatuur vóór de Tweede Wereldoorlog is geschreven: ‘Daarna komt alleen Tunc van Lawrence Durrell en Ada van Nabokov’. Ada behoort ook tot mijn favorieten; Tunc heb ik indertijd wel uitgelezen, maar meer uit plichtsgetrouwheid jegens Joyce & Co dan omdat het boek me veel deed. Misschien moet ik het dertig jaar na dato nog eens proberen.

Jack van der Weide

donderdag 12 januari 2012

ARETINO


De afgelopen dagen maakten columnisten van diverse dagbladen zich druk om de sluiting van boekwinkels en de dreigende teloorgang van het boek. Het lachebekje van De Volkskrant Sylvia Witteman pleitte daarbij voor de e-reader. Ze had, vertelde ze, dikke boeken altijd doormidden gescheurd, zodat ze minder zwaar in de bagage waren en haar partner alvast aan de andere helft kon beginnen. Voor haar was digitaal lezen dus een uitkomst. Lijnrecht tegenover dit kamp, dat waarschijnlijk schilderijen ook liefst online bekijkt en muziek uitsluitend via mp3 geniet, staat de wereld van de ambachtelijke, bibliofiele drukker.
De Carbolineum Pers van Boris Rousseeuw is in die wereld een begrip. Rousseeuw maakt prachtige, exclusieve boeken, die onder liefhebbers gezocht zijn, en waarvan de beperkte oplages doorgaans bij intekening worden verspreid.
Volgende maand verschijnt bij hem een vertaling van de Sonetti Lussuriosi van Pietro Aretino. Dit boek is in meer opzichten bijzonder. Geerten Meijsing en ondergetekende leverden een dubbelvertaling af: eenmaal tekstgetrouw, zo precies en letterlijk mogelijk, eenmaal met alle vrijheid die de vertaler zich wenste. De laatste versie, door Geerten Meijsing, drijft de toch al vrijmoedige verzen van Aretino tot ver voorbij de grenzen van het fatsoen: pure pornografie, maar ook bijtende satire en schitterend van exuberante fantasie. In elk geval niet iets om je kinderen voor te lezen, of je moet ze wel heel erg libertijns opvoeden. Jimi Dams, een Belgisch kunstenaar die in New York woont en werkt, maakte er nieuwe illustraties bij. Naast het Italiaanse origineel, de beide vertalingen en de prenten biedt het boek ook een notenapparaat en een tot de grootte van een essay uit de hand gelopen naschrift. Veel waar dus voor, geef ik toe, niet weinig geld, en een absolute aanrader voor de liefhebber van bijzondere boeken. Van Boris Rousseeuw kregen we toestemming de uitgave van Naar buiten met die tong! Wellustige sonnetten, zoals het boek is gaan heten, hier aan te kondigen, zodat we de Meijsingliefhebber een kans tot aanschaf kunnen geven. De tekst van de door Rousseeuw aan zijn vaste schare afnemers gestuurde prospectus leest u hieronder.

Jan-Paul van Spaendonck


"De zestien Sonetti Lussuriosi van de Italiaanse Renaissance-auteur Pietro Aretino verschenen voor het eerst in 1527 en werden prompt door de katholieke kerk op de Index van verboden boeken geplaatst. Desondanks werden de Sonetti een klassieker van de Europese erotische literatuur.
Deze nieuwe Nederlandse uitgave geeft de originele Italiaanse tekst, telkens met een getrouwe vertaling door Jan-Paul van Spaendonck en een vrije door Geerten Meijsing. Ze schreven er een nawoord bij en Jimi Dams maakte er pentekeningen bij. Het groot formaat boek (30 cm) is met de hand gezet en met de handpers gedrukt op geschept Zerkall, in een omslag van bloedrood Fabriano Murillo. Het boek van meer dan 150 blz. kost 250 euro. Het is verkrijgbaar door storting op rekening 001-2190765-96 van Boris Rousseeuw, Nieuwe Dreef 6, 2920 Kalmthout, België. Nederland: ING 68-33-19-698. Wie bestelt en betaalt vóór 15 januari, ontvangt een op naam gedrukt exemplaar."

zondag 8 januari 2012

Vertaalcatalogus

Onlangs verscheen van Filter, tijdschrift over vertalen nummer 4 van jaargang 18. Het nummer bevat een artikel door Jack van der Weide, ‘Van naakte lunch tot rode zakdoek. De vertaalcatalogus van Joyce & Co’. In het artikel geeft de auteur een overzicht van het vertaaloeuvre van Joyce & Co, waarmee hij een kleine bijdrage levert aan de Nederlandse vertaalgeschiedenis van het laatste kwart van de twintigste eeuw. Het artikel geeft zowel inzicht in de rol die vertaling speelt in het literaire veld als in de relatie tussen het oorspronkelijke werk van Meijsing en diens rol in het collectief. De tekst over We zijn altijd te aardig voor vrouwen van Raymond Queneau, die eind vorig jaar op dit blog te lezen was, vormde een voorproefje van het artikel.


Redactieadres
Goethelaan 13
3533 VN  Utrecht
filter@xs4all.nl
www.tijdschrift-filter.nl

donderdag 5 januari 2012

NIEUWJAARSGROET















Direct na de jaarwisseling werden we verrast met een charmant boekje: met rood garen ingebonden dagboeknotities van Geerten Meijsing. Hieronder leest u er alles over.

ONWILLEKEURIGE DAGBOEKFRAGMENTEN

Ter gelegenheid van de jaarwisseling 2011-2012 zijn de donateurs van Stichting Vrienden van de Vorm bedacht met een drukwerkje. Het betreft een voorpublicatie van Meijsings Onwillekeurige dagboekfragmenten waarvan de volledige versie inclusief een pagina handschrift in facsimile later dit jaar - eveneens bibliofiel - zal verschijnen. In de gemaakte selectie ligt de nadruk op het thema van het schrijven. Met grote toewijding aan het vak schrijft Meijsing nu eens somber en vilein, dan weer gedreven en bevlogen:

‘Mijn vader mag het weten: jawel, op zulke momenten, vader, ben ik zo gelukkig als u wenst.’

Deze niet eerder gepubliceerde dagboekaantekeningen uit 1997 en 1999 zijn op verzoek van het bestuur van de Vrienden van de Vorm gedrukt door de Avalon Pers te Woubrugge. Na het Pinksterverhaal Eindtijd is dit de tweede uitgave door ons in 2010 opgerichte Genootschap rond Geerten Meijsing.

Jan Keijser drukte voor de Gouden vrienden 20 exemplaren op handgeschept Losin en voor de (toekomstige) Vrienden 120 exemplaren op Simili Japon; de tekst is gezet uit de Perpetua. Wie met ingang van 2012 donateur wil worden, kan zich aanmelden via
info@vriendenvandevorm.eu. (zie ook www.vriendenvandevorm.eu). Hij of zij krijgt dan kosteloos een exemplaar toegestuurd.

Taco de Kort (secretaris)

maandag 26 december 2011

Queneau

In 1983 verschijnt bij uitgeverij Peter van der Velden We zijn altijd te aardig voor vrouwen. Een Ierse roman van Sally Mara van Raymond Queneau. Het is de vertaling door Joyce & Co. van On est toujours trop bon avec les femmes. Un roman irlandais de Sally Mara (1947). Bijzonder aan deze uitgave is dat het hier de enige boekpublicatie van Joyce & Co. betreft die volledig op het conto van Kees Snel te schrijven is. Begin jaren tachtig begonnen de wegen van Meijsing en Snel zich te scheiden, wat onder meer gemarkeerd werd door Een meisjesleven van Eefje Wijnberg en Venetiaanse brieven en Calabrese dagboeken van Joyce & Co. – beide in feite soloprojecten van Meijsing. De auteursnaam ‘Joyce & Co.’ bleef voorlopig gehandhaafd, niet in de laatste plaats omdat het collectief als vertalers een zekere naam had opgebouwd.

Uit een werkbrief van 25 mei 1981 blijkt dat het Queneau-project een poging van Meijsing is om Snel als zelfstandig publicist op weg te helpen: “Voor jou goed nieuws: morgen ga ik naar Jeroen Koolbergen en sluit op jouw naam een contract af tegen het geldige honorarium van 7,9 per woord met de mogelijkheid tot een voorschot (waarover ik moet onderhandelen) voor Queneau, On est toujours trop bon avec les femmes, 150 bladzijden, moet wel ongeveer in september worden opgeleverd. Prima start voor jou, ik wil eventueel meehelpen met corrigeren.” Een week later bericht Meijsing dat het contract rond is: “Voor jou […] het Queneau-contract rondgemaakt: je moet er in sneltreinvaart doorheen kunnen gaan. Ik wil je er wel mee helpen, in ieder geval zal ik corrigeren. Ik hoop dat ik je hiermee een dienst heb bewezen en je een soort start heb gegeven voor de nieuwe formule.” Jeroen Koolbergen – tegenwoordig vooral bekend als filmproducent van bij voorbeeld Tirza (2010) – bevestigde desgevraagd de hierboven geschetste rolverdeling tussen de compagnons: “Ik meen me vaag te herinneren dat Kees de vertaling heeft gemaakt en Geerten hem heeft nagekeken.” Tekenend voor de ‘scheiding’ tussen Meijsing en Snel  is ook dat de Queneau-vertaling bij uitgever Peter van der Velden verschijnt, en niet bij de Arbeiderspers, de vast uitgeverij van Joyce & Co. sinds 1975. De wiskundige Queneau was bovendien een schrijver die de wiskundige Snel wel aansprak, maar van wiens werk Meijsing weinig moest hebben.

Pikant detail is dat We zijn altijd te aardig voor vrouwen, de enige boekpublicatie van Joyce & Co. waaraan Meijsing geen deel had, een grote schatplichtigheid aan James Joyce kent. De oorsprong van de naam van het collectief wordt door Meijsing min of meer als jeugdzonde beschouwd, maar in het geval van de Queneau-vertaling kwam die naam een keer mooi uit. De flaptekst refereert dan ook aan Joyce door te zeggen dat het om een roman gaat “met een aantal dubbele bodems en allusies (Finnegans Wake! is het wachtwoord)” en vermeldt vervolgens “De vertaling is van JOYCE & CO.”. De roman verwijst inderdaad duidelijk naar het werk van Joyce, in de setting (het postkantoor op de hoek van Sackville Street en Eden Quay in Dublin), de personages die soms rechtstreeks uit Ulysses komen (John Mac Cormack, Mat Dillon, Corny Kelleher) en zelfs letterlijk: als een van de personages laat vallen “Het is te merken dat je in het land van James Joyce bent” staat hierbij een noot van de auteur “Er is hier sprake van een licht anachronisme, maar Caffrey, een analfabeet, kon in 1916 niet weten dat Ulysses nog niet verschenen was”.

In de enige recensie die ik van de vertaling ken, door Manet van Montfrans (sic!) in NRC Handelsblad van 16 september 1983, wordt eveneens uitgebreid aandacht besteed aan het verband met het werk van Joyce: “Vol dubbel bodems en verwijzingen naar Ulysses en Finnegans Wake lijkt On est toujours trop bon avec les femmes op de eerste plaats een speelse hommage aan Joyce. Over de vertaling is Van Montfrans echter niet te spreken: “De Nederlandse versie van On est toujours trop bon avec les femmes wemelt van de fouten en slordigheden, terwijl de oogst aan leuke vondsten en goede oplossingen nogal mager is […]. Het is mij een raadsel hoe Joyce & Co., dat zich zo op zijn zorgvuldigheid en eruditie laat voorstaan, dergelijk kladwerk heeft kunnen afleveren”. De conclusie dat Snel kennelijk niet zonder Meijsing kon lijkt op grond van deze ene recensie wat voorbarig, maar feit is dat het bij dit soloproject is gebleven. Toen de vertaling verscheen behoorde het collectief Joyce & Co. al tot het verleden.


Jack van der Weide


maandag 19 december 2011

KERSTPIJP


De Avalon Pers te Woubrugge geeft elk jaar een kerstverhaal van Geerten Meijsing uit. Mooi verzorgd en liefdevol gedrukt op degelijk papier zoals dat een ambachtelijk drukker betaamt, en in stemmig rood verpakt. Alleen komt vreemd genoeg dat kerstcadeau voor de Meijsingminnaar nimmer op tijd. Op zijn vroegst in de late lente kunnen we lezen hoe Geertens vader vroeger de jaarlijkse kersteend klaarmaakte. Als ik die gang van zaken probeer te begrijpen kom ik op zoiets uit: in boekenland is men niet aan de gewone mensentijd gebonden, boeken zijn immers eeuwig. Televisieprogramma’s en krantencursiefjes hebben deadlines, maar in de wereld van de boekenmakers tellen die blijkbaar niet. We moeten zo’n jaarlijks kerstverhaal maar in retrospectief rond kerstmis situeren. Wat is een maand, een jaar, op de literaire eeuwigheid?

In het jaar onzes Heren 2008 ging het niet zo goed met mij. Ik liet het leven maar zo’n beetje op zijn beloop. Om mijn muzikale verantwoordelijkheden niet onder ogen te hoeven zien nam ik een baantje in een chique sigarenwinkel. Ik dronk te veel. Deze omstandigheden inspireerden Geerten ertoe het personage Pasquale uit Tussen mes en keel weer op te pakken: de succesvolle zanger van het Napolitaanse lied was inmiddels aan lager wal geraakt, speelde op tochtige straathoeken, en bekommerde zich eigenlijk alleen nog om zijn uitdijende pijpencollectie. Reve en Dickens en andere seizoensingrediënten kwamen eraan te pas en het leverde een pracht van een novelle op: De kerstpijp.
Ongeveer in dezelfde tijd waarin dat boekje het licht zag, in de nazomer van 2008 of daaromtrent, kreeg ik het idee om er een hoorspel van te maken. Dat kwam zo. Elk jaar met kerst stuurt onze familie een huisgemaakte cd rond. Die bevat liedjes van eigen hand en covers van bestaande muziek. Maar waarom dit jaar niet eens wat anders? Mijn kop stond toch al niet zo naar muziek. Geerten was enthousiast, Robert, met wie ik in het verleden menig hoorspel had gemaakt, ook. Mijn kinderen hadden geen bezwaar, die vinden die kerst-cd alleen achteraf leuk. Op het moment zelf moeten ze een elk jaar groeiende tegenzin overwinnen.
Op de zolderkamer van mijn zoon kwamen we bij elkaar. Geerten las geduldig en met veel verve zijn tekst voor. De handgebaren kregen wij erbij, die zijn op de schijf niet zichtbaar, maar wel te horen: in de natuurlijke accenten van de vertelstem. Een makkelijke klus was het niet. Geerten schrijft een ogenschijnlijk parlando, met veel naturel klinkende uitweidingen, maar het is een papieren parlando, dat viva voce vaak niet op een enkele ademtocht te volbrengen is. Het moest vaak over. Regelmatig paste hij de geschreven tekst aan naar wat gesproken beter bekte: interessant voor het nageslacht! Op de bank onder het kapelraam zat Robert en hield het procédé nauwlettend in de gaten: hij heeft jarenlang radioprogramma’s voor de Concertzender gemaakt, en mocht zich dus als enige van ons een professional noemen. Hij deed een paar stemmen: een barse politieagent, een perverse antiquaar. Blijkbaar maakte Roberts sonore radiostem indruk op de schrijver. Nog jaren later kon die, als Eksteen ter sprake kwam, me plotseling schuins aankijken en uitdagend zeggen, met iets van een kwajongensachtige opstandigheid: ‘Ik vind die Robert wel streng, hoor.’
Nu en dan kwam mijn dochter van beneden om met heldere meisjesstem de rol van Theresa in te spreken. Ze had de fijne tact om het rollenspel niet te veel op de werkelijkheid te betrekken, die voor haar niet leuk moet zijn geweest. Ik bromde mijn eigen gebrom. Mijn zoon zat aan de knoppen.
Onze bedoeling en ambitie was om van De kerstpijp het ultieme kersthoorspel te maken. Geerten gaf me een voorbeeld van William Burroughs mee: zo ongeveer moest het klinken, die louche, desolate maar toch ‘gezellige’ sfeer moesten we zien te treffen. We plakten er muziekjes en omgevingsgeluiden onder, maar ons doel, ik zeg het maar eerlijk, bereikten we niet. Want anders dan bij bibliofiele boeken het geval is moet onze kerst-cd stipt ‘met kerst in de bus’. De tijdsdruk die dat opleverde voorkwam dat we het onderste uit de kan haalden. De muziekkeus had beter gekund, en aan de tekst hadden we eigenlijk nog wel een sessie mogen wijden. Te laat, want kerst stond alweer voor de deur, en Geerten was terug naar Sicilië. Zo moest het maar.
Maar zie! Het geviel, dat ons hoorspel in handen kwam van een via via bevriende radiomaker en werd uitgezonden door de VARA, in de kerstnacht van dat jaar. Op die avond zat te Heemstede de oude mevrouw Meijsing-Schouten rechtop in haar ziekbed. Ze kon de slaap niet vatten. Haar verpleegster van de thuiszorg zette, om de drukkende stilte uit te bannen, de radio aan. En daar klonk, totaal onverwacht, vanuit de koude winterse ether de stem van haar jongste zoon, die op dat moment tweeduizend kilometer van haar verwijderd was. Wat er op dat moment door haar heen ging weet ik niet, maar het zal haast wel een gevoel van warmte en verwondering zijn geweest.
Zalig kerstfeest!

Jan-Paul van Spaendonck

(De kerstpijp kunt u beluisteren door hier te klikken. Het downloaden kan even tijd kosten.)