woensdag 15 februari 2012

Droogstempel

Toen ik Erwin voor het eerst opensloeg wist ik niet wat ik zag. Een geheimschrift, 365 alinealoze pagina’s in klein corps lang, net zo veel als er dagen waren in het jaar: ik telde er op dat moment achttien. Wat ik in handen had was de toegang tot een geheimzinnig universum, oud en nieuw tegelijk, waarin machinaties plaats hadden die in de gewone mensenwereld van 1974 onzichtbaar en bijna ondenkbaar waren. Alleen via deze publicatie konden we er een glimp (een gulle, dat wel) van opvangen. Ik begon er gretig maar moeizaam in te lezen en betrad een wereld van literaire traditie, weemoed, schoonheid, eruditie, dramatische liefde en arcadische vriendschap, waarin met Grieks en Latijn werd gestrooid alsof het niets was en heel andere schrijvers ten voorbeeld stonden dan die waarover de boekenbijlage schreef. Een schaduwuniversum, verlokkelijk dichtbij maar ongrijpbaar, nèt niet gelijk aan het onze, een betoverde wereld waar ik o zo graag bij wilde horen maar waarvan ik de wetten niet precies kende. Die werden uitgevaardigd door de geheimzinnige firma Joyce & Co., en hun beeldmerk met de spreuk Armas Y Letras bezegelde ze.

Het zou te ver voeren hier te beschrijven hoe en waarom, maar in de loop van mijn leven raakte ik bevriend met Geerten Meijsing. In de eerste jaren van onze vriendschap was hij voor mij toch vooral de bewonderde schrijver, voorman van de inmiddels legendarische firma Joyce & Co., tot wier burelen ik nog steeds geen toegang had. Als ik Geerten moest geloven bestond die firma trouwens helemaal niet. De tijd verstreek en haalde haar streken uit, en het icoon van de gelauwerde auteur verbleekte en maakte plaats voor het warme, levende beeld van een lotgenoot en reisgezel op de levensweg (‘gezellig’ is een belangrijk woord in Geertens vocabulaire, met een diepere betekenis dan de gangbare). Aan de firma dacht ik nooit meer, die was iets geworden van onze jeugd, van de mijne zo goed als van de zijne.
Tot op een koude winterdag in 2012. Het jaar daarvoor waren we bezig geweest met het vertalen van de Sonnetti Lussuriosi van Pietro Aretino. Een lente lang, terwijl de bloesems zich roze uitvouwden en weer van de bomen sneeuwden, bogen we ons, vaak met de tong in de wang, over de edelporno van de Renaissancistische arbiter elegantiae, en bestookten elkaar met scabreus gescandeerde telefoontjes en e-mails, tot we geen cazzo of potta meer konden zien. We schreven er een zwierig nawoord bij en stuurden alles op, per post en digitaal, naar Boris Rousseeuw, die er een bibliofiele uitgave van zou maken.
Drie seizoenen later was het boek klaar en moest het worden gesigneerd. Ik had mijn krabbel al gezet. Die van Geerten (een krabbel mag je dat niet noemen, men kan rustig spreken van een signatuur) zou hij in Syracuse toevoegen. Maar het lot, in de gedaante van de tragische en ontijdige dood van zijn zuster, bracht hem naar Nederland, zodat ik op een middag kon toezien hoe hij zijn vulpen, gevuld met Ionisch blauwe inkt, op het linnenpapier zette. Boris Rousseeuw reikte mij een droogstempel aan om de gesigneerde vellen te vervolmaken. Ik klemde het apparaat, dat een werking heeft die vergelijkbaar is met die van een perforator, om het papier en drukte stevig, met beide handen. Ik maakte het los, en daar stond het, in reliëf, het oude beeldmerk van Joyce & Co.
Plotseling voelde ik me alsof ik in een jeugddroom was beland.

Jan-Paul van Spaendonck


(Foto: Boris Rousseeuw. Van “Naar buiten met die tong! Wellustige sonnetten” zijn nog enkele exemplaren beschikbaar. Zie het artikel van 12 januari j.l.)

zondag 12 februari 2012

Joyce


“Een volwaardige, niet te missen bijdrage aan het Meijsing-oeuvre”, zo werd op dit blog de zojuist verschenen Zendbrief aan de Vrienden van de Vorm gekarakteriseerd. En inderdaad valt er voor de liefhebber weer veel te ontdekken, te herkennen, te analyseren en ook te gniffelen. Noot 3 op blz. VI-IX (jawel!) spant daarbij wat mij betreft de kroon. “Wie was Plato?”, vraagt de auteur zich drie maal retorisch af, en in zijn pogingen tot antwoorden komen oude bekenden voorbij als Cornelia de Vogel, Kanger, Jacques Meijsing en George Gissing – maar bij voorbeeld ook Henk en Ingrid. Het eerste antwoord begint met een, eveneens bekend klinkende, tegenvraag: “Wie was Plato? Do you agree with the wish that he had never been born, or do you rather subscribe to a live-and-let-live-philosophy?” Meijsing geeft zelf de bron van het citaat, The Pooh Perplex van Frederick C. Crews, en voegt toe: “deze examenvraag wordt oorspronkelijk gesteld aangaande de zwaar overschatte James Joyce”.

Het citaat van Crews (inclusief het begin: “Who was James Joyce?”) werd gebruikt door Meijsing, toen nog Joyce & Co, als motto bij het artikel ‘Het klassiek temperament, een epifanie’, dat in 1982 verscheen in het tijdschrift Kruispunt. Het ging om een themanummer van het tijdschrift over Joyce, en hoewel de naam van het collectief anders deed vermoeden liet Meijsing er ook toen al geen twijfel over bestaan dat de Ierse schrijver weliswaar verantwoordelijk was voor die naam, maar dat de aanvankelijke bewondering volledig was verdwenen. Vandaar het motto van Crews. Interessant is de Kruispunt-tekst met name vanwege de opmerkingen over de oorsprong van Joyce & Co, “een nu in nevelen gehulde mythe, waarvan de bijbehorende cultus obsoleet is geworden”. Deze laatste formulering keert letterlijk terug in Meijsings artikel ‘Kut met peren. Over Keith Snell’ (Tirade, 2010), dat overigens op meerde punten teruggrijpt naar het stuk uit 1982. Recentelijk wist Taco de Kort een nog vroegere tekst boven water te halen, ‘Lectio educationis’ (De nieuwe clercke, 1977), waarin eveneens de oorsprong van het collectief centraal staat:

“En op een dag had Keith een boekje mee naar school genomen van diezelfde schrijver die we al tegengekomen waren in geheimzinnig commentaren op het Tibetaans Dodenboek en waarin een jongen van onze leeftijd (of iets ouder), die ook bij paters op school zat, op een abstracte manier over schoonheid praatte, heel anders dan de ellendige manier waarop dat in de Plato-les gebeurde […]. Met JAMES JOYCE begon een lange weg terug en raakten we in een stroomversnelling van grote werken, waarin de geest gedompeld slechts vrucht kan dragen.”

Geen Crews nog, maar die duikt wel weer op in het Tirade-artikel: “‘wie was James Joyce’ is een examenvraag uit The Annotated Pooh: ‘Do you agree with the wish that he had never been born, or do you rather subscribe to a live-and-let-live theory?’”. Ook in dat artikel: “Ik leende hem […] A Portrait of the Artist as a Young Man, en hij leende me een stukgelezen Stephen Hero”. Laatstgenoemde titel, een postuum uitgegeven tekst van Joyce die aan de basis lag voor het vijfde hoofdstuk van A Portrait, is het bedoelde boekje over de jongen op de patersschool, Stephen D(a)edalus. Stephen krijgt van zijn medescholieren de spotnaam ‘Stephen the Reephen the Rix Dix Deephen’ toebedeeld, en Meijsing spot in Erwin met hen mee: “Stephen the Reephen the Rix Dix Deephen had ons op weg geholpen, maar na enige tijd begonnen we onfeilbaar onze eigen weg uit te stippelen en waren het juist Daedalus en zijn clowneske schepper die de eerste kritiek te verduren kregen’.

Maar hoe clownesk of overschat Joyce ook moge wezen, zijn opvatting over het schrijverschap is Meijsing kennelijk nog steeds welgevallig. Uit de laatste alinea van de Zendbrief aan de Vrienden van de vorm: “De handtekening van de schrijver is slechts een teken van het merkwaardige gegeven dat hij afwezig is in zijn geschriften: niet thuis, een balling die de draden heeft doorgeknipt en de schepen achter zich verbrand. Silence, exile & cunning is zijn devies.” En dat devies is toch echt afkomstig van Joyce.

Jack van der Weide

donderdag 9 februari 2012

Zendbrief aan de Vrienden van de Vorm verschenen


Geerten Meijsing signeert te Syracuse 
onder toeziend oog van Taco de Kort, 
secretaris van de stichting, de Zendbrief 
voor de Vrienden van de Vorm.
Afgelopen weekend heeft het bestuur van stichting Vrienden van de Vorm een bezoek gebracht aan Geerten Meijsing in Syracuse. Bij die gelegenheid heeft de schrijver een vijftigtal exemplaren gesigneerd van de Zendbrief aan de Vrienden van de Vorm. Dit boekje, met Ionisch blauwe kaft, is in eigen beheer uitgegeven door stichting Vrienden van de Vorm; de tekst is gezet door Illusions Perdues te Haarlem. Op zaterdag 4 februari jl heeft het bestuur de boekjes vanuit het Ufficio Postale Centrale van Ortigia verstuurd naar alle vrienden en gouden vrienden van de stichting, als dank voor hun steun in 2011.

In de Zendbrief beschrijft een niet nader genoemde auteur o.a. het leven in Syracuse:

"Mijn eerste indrukken na aankomst bestonden uit instemming en bijval. Bijval voor wat daar het Goede Leven wordt genoemd, een vormeloos leven vol banketten van de Italiaanse  Grieken en de Syracusanen, die twee keer per dag uitgebreid warm eten, en nooit zitten ze verlegen om een partner voor de middag of de nacht. De mensen hier lijken op straat te leven, tot aan de dageraad: volwassen mannen, knapen in de bloei van hun jeugd, zelfs jonge vrouwen en evenmin voor de vorm terughoudende meisjes. Het is hier altijd feest, vanaf het moment dat de zon ondergaat, en het ene feest lijkt ’s anderendaags in het volgende over te gaan, waarbij de koppige wijn vrijuit vloeit, ook als er niet gegeten wordt, en de mensen lijken zonder uitzondering gelukkig met deze vorm van wat zij het Goede Leven noemen, schaars gekleed zonder hun schoonheid aan het oog te onttrekken, behalve wanneer ze zich afzonderen om hun roes uit te slapen, nooit zonder gezelschap van een knaap, een jong meisje of een gretig vrouwmens, vaak meer dan een tegelijk, in immer weerkerende en onverzadelijke combinaties van de meest exotische Phrygische standjes."

Voor nieuwe vrienden en gouden vrienden zijn nog een paar exemplaren van de Zendbrief aan de Vrienden van de Vorm beschikbaar. Informatie via info@vriendenvandevorm.eu

Het bestuur van de stichting Vrienden van de Vorm,  

Thomas van Grafhorst / Taco de Kort / Steven Cras

ZENDBRIEF

Gisteren ontvingen we, verheugend vroeg gezien de grillige werkwijze der Italiaanse posterijen, de verwachte ‘zendbrief’ van de Vrienden van de Vorm. Blij verrast: het is een prachtig, zorgvuldig verzorgd boekje geworden en bovendien een dat het belang van human interest dat kleine uitgaafjes meestal kenmerkt verre overstijgt: hier geen dagboekfragmenten, brieven, literaire kliekjes, amuses of tussendoortjes, maar een volwaardige, niet te missen bijdrage aan het Meijsing-oeuvre. Thema, stijl en werkwijze (het imposante notenapparaat!) sluiten nauw aan bij De ongeschreven leer, en tevens verwerkelijkt de auteur alsnog het verlangen dat hij destijds door de uitgever gedwarsboomd zag: de Zendbrief verschijnt anoniem. Alleen uit de sierlijke signatuur onder het colofon leren we dat Meijsing de schrijver is.